Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Boekbesprekingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbesprekingen

4 minuten leestijd Arcering uitzetten

Mareike Verena Blischke, Der Geist Gottes im Alten Testament [FAT II 112] (Tübingen: Mohr Siebeck, 2019) xvii + 332 p., € 79,00 (ISBN 9783161575242).

Blischke onderzoekt in dit boek het spreken over Gods Geest (ruaḥ) in alle relevante gedeelten van het Oude Testament. Ze heeft daarbij zowel aandacht voor de eigenheid van de afzonderlijke teksten en bijbelboeken, als voor de onderlinge samenhangen en ontwikkelingen. Haar bijbels-theologische onderzoek is gebaseerd op een historischkritische analyse van de bijbelteksten.

Als eerste bespreekt Blischke hoe de verhalende boeken over Gods Geest spreken. Een concentratie van relevante teksten is te vinden in 1 Samuël, waar de Geest Saul aangrijpt tot het doen van bijzondere daden (bijvoorbeeld 1 Sam. 11:6), maar vervolgens duurzaam aan David geschonken wordt (1 Sam. 16:13). Nauw met 1 Samuël verbonden – en volgens Blischke hiervan afhankelijk – is het spreken over Gods Geest in het boek Richteren, in verband met Othniël, Gideon, Jefta en, vooral, Simson.

Net als in Richteren, komt ook in de Pentateuch Gods Geest vooral ter sprake in teksten die Blischke als latere toevoegingen beschouwt. Eén van die teksten is Numeri 11, waar Mozes de Geestdrager par excellence is en de Geest niet over een enkeling komt, maar over een grotere groep. In de geschiedenis van Bileam (Num. 22-24) bewerkt de Geest het juiste profetische spreken, een idee dat verder vooral prominent is in Kronieken en Nehemia. Buiten Numeri 11 en 22-24 komt Gods Geest in de Pentateuch verder niet veel voor, maar Blischke betoogt dat er bewust verwijzingen zijn ingevoegd op enkele sleutelmomenten: bij de schepping (Gen. 1:2), bij de oprichting van de tabernakel (Ex. 31:3; 35:31) en bij de opvolging van Mozes door Jozua (Deut. 34:9).

Na de verhalende boeken bespreekt Blischke de profeten, te beginnen met de relatief grote rol die Gods Geest in Jesaja heeft. Blischke betoogt dat dit aanvankelijk vooral in Deuterojesaja het geval was, in het kader van een nieuwe doordenking van Gods heilvolle nabijheid. Geïnspireerd door de tweede helft van het boek is de Geest vervolgens ook ter sprake gebracht in latere invoegingen in Primojesaja. In Ezechiël wordt vooral over ruaḥ gesproken als een wind die in beweging zet (bijv. bij visionaire verplaatsing van de profeet) en als bepalende ‘grootheid’ in de (nieuwe) verhouding tussen God en mens (bijv. Ez. 11:19-20).

De bekende tekst in Joël 3:1 [2:28] is volgens Blischke afhankelijk van Ezechiël 39:29, maar breidt deze belofte uit tot de heidenen. Zo wordt het ook voor hen mogelijk zich te richten naar Gods wil en zijn oordeel te doorstaan. In Haggaï 2:5 [2:6] zegt JHWH dat zijn Geest bij zijn volk is, wat de gedachte uitdrukt dat Hij, hoewel onzichtbaar, toch beschermend en helpend aanwezig is. Het boek Zacharia reflecteert diverse ideeën over de Geest die Blischke, evenals die in Joël en Haggaï, als laat beschouwt. De Geest opereert in relatieve zelfstandigheid (4:6; 6:8; vergelijk Jes. 40:12; Gen. 1:2; Hag. 2:5), wordt uitgestort over velen (12:10; vergelijk Jes. 32; 44:3; Num. 11; Joel 3:1; Ez. 39:29) en geeft de profeten hun woorden (7:12; vergelijk Num. 22-24; Kron.; Neh.). Bovendien staat de werkzaamheid van Gods Geest hier in contrast met kracht en geweld (4:6), terwijl Hij in verhalende boeken juist mensen daartoe aangrijpt.

Aan het einde van de studie signaleert Blischke vijf ontwikkelingen in het oudtestamentische spreken over Gods Geest. (1) De Geest wordt steeds sterker verbonden met toekomstig heil. (2) De gave van de Geest wordt uitgebreid van enkelingen naar velen.

(3) De Geest bewerkt eerst vooral bijzonder handelen, later vooral het juiste (profetische) spreken. (4) Er is een tendens naar specifieke aanduidingen als ‘de Geest van wijsheid’ (Deut. 34:9). (5) De zelfstandigheid waarmee de Geest opereert wordt enerzijds groter, maar in andere teksten juist ingeperkt.

Bij het traceren van dergelijke ontwikkelingen blijft er uiteraard een stevige marge van onzekerheid, niet het minst omdat de basis ervan ligt in de diachronische analyse van de bijbelteksten. Ook bij andere onderdelen van deze studie zijn vragen te stellen – dat David de Geest vooral ontvangt ‘um Saul zu überbieten’ (24), is mij bijvoorbeeld veel te mager. Het boek had ook aan waarde gewonnen door meer interactie met Engelstalige literatuur; diverse monografieën over het onderwerp blijven nu ongenoemd. Niettemin is dit een waardevolle studie, die een mooi overzicht geeft van het oudtestamentische spreken over Gods Geest, bezien door de lens van de Duitse historischkritische traditie.

Dit artikel werd u aangeboden door: Theologia Reformata

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 maart 2020

Theologia Reformata | 123 Pagina's

Boekbesprekingen

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 maart 2020

Theologia Reformata | 123 Pagina's