9. De opwekking van het dochtertje van Jaïrus
Op een keer kreeg de Heere Jezus in Kapérnaüm bezoek van een overste van de synagoge. Waarschijnlijk waren er twee oversten in die plaats, maar één overste verkeerde in grote nood. Vandaar dat we lezen: En zie, er kwam een van de oversten der synagoge, met name Jaïrus; en Hem [de Heere Jezus] ziende, viel hij aan Zijn voeten (Markus 5:22). Een overste onderhield de synagoge en ‘gaf op de sabbat leiding aan de samenkomst door personen voor het gebed, de Schriftlezing en de prediking aan te wijzen’ (drs. P. Cammeraat, Leren en Leven, blz. 331/dl. 3).
Terwijl Jaïrus neerknielde voor de Heere Jezus, bad hij: ‘Heere, mijn dochtertje ligt op sterven. Kunt U met me meekomen en haar beter maken?’ Meteen wilde de Heere Jezus met de bedroefde man meegaan. Maar de reis naar zijn huis vlotte niet erg. In de eerste plaats volgde een grote schare mensen de Heere Jezus, zodat Hij en Jaïrus niet vlug konden doorlopen. In de Bijbel staat: Een grote schare volgde Hem, en zij verdrongen Hem (vers 24). Maar in de tweede plaats kwam er onverwachts een vrouw naar de Heere Jezus toe die al twaalf jaar een ongeneeslijke kwaal had. Zij had verschillende dokters bezocht, maar ze was steeds zieker én armer geworden. Omdat zij telkens veel bloed verloor, was zij volgens Gods wet een onreine en daarom mocht zij niet in de tempel en onder de mensen komen. Zij was dus een ongelukkige, eenzame vrouw. Door de nood gedreven, kwam zij heimelijk tot de Heere Jezus. Heimelijk, want als een onreine mocht zij zich niet onder de mensen begeven. Toch drukte ze zich door de mensenmassa heen en raakte heel stilletjes de zoom van Jezus’ opperkleed aan. Waarom deed ze dat? Wel, ze had vernomen dat de Heere Jezus wonderen kon doen en zij geloofde dat Hij ook haar van de ongeneeslijke kwaal kon afhelpen. Ze dacht: Ik ga naar de Heere Jezus toe en raak maar heel even Zijn kleed aan en dan zal ik gezond worden (vers 28). Zoveel geloof had zij in Jezus’ macht dat ze vast geloofde beter te worden door alleen maar Zijn klederen aan te raken. Bovendien wilde zij als een onreine het lichaam van de Heere Jezus niet aanraken, maar beperkte ze de aanraking door slechts Zijn kleed aan te raken.
Zo kwam ze bij de Heere Jezus en raakte heel even de zoom van Zijn opperkleed aan en dacht weer ongemerkt te kunnen verdwijnen. Maar nauwelijks had ze de Heere Jezus aangeraakt of Hij draaide Zich om en vroeg: ‘Wie heeft Mij aangeraakt?’ De discipelen vroegen verwonderd: ‘Heere, hoe kunt U zoiets nu vragen? De mensen verdringen U en U wordt telkens door verschillende mensen aangeraakt!’ Maar de Heere Jezus voelde dat er een bijzondere aanraking had plaatsgevonden en dat er kracht van Hem was uitgegaan en dat Hij iemand genezen had! Inderdaad was de vrouw na de aanraking ineens beter en op de vraag van de Heere Jezus durfde zij niet te verzwijgen wat er gebeurd was. Vallende aan Zijn voeten vertelde zij dat zij Hem had aangeraakt. Daarna sprak de Heere: Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede en zijt genezen van deze uw kwaal (vers 34).
Nauwelijks had Hij die woorden uitgesproken of een paar knechten kwamen naar de overste toe en spraken: ‘Jaïrus, val de Meester maar niet meer moeilijk, want uw dochtertje is al gestorven.’ De Heere Jezus hoorde die woorden en sprak tot de overste: Vrees niet, geloof alleenlijk (vers 36). Toen het kind leefde, was er nog enige hoop op beterschap, maar nu het gestorven was, had Jaïrus geen hoop meer. Maar juist toen klonk het tot Jaïrus: ‘Vrees niet, geloof alleenlijk.’ Immers zijn bij de HEERE, de Heere, uitkomsten tegen de dood (Ps. 68:21). In zijn geloof is Jaïrus niet beschaamd uitgekomen. Toen ze hierna in het huis van de overste aankwamen, werd daar één klaagzang gehoord. Naar de gewoonte van die tijd waren er ingehuurde klaagvrouwen die veel misbaar maakten, op hun borst en hoofd sloegen en op die manier de droefheid van de familie en belangstellenden opwekten. Het was een ongepaste gewoonte die de Joden van de heidenen hadden overgenomen. De Heere Jezus sprak tot hen: ‘Waarom maken jullie zo’n drukte en waarom huilen jullie? Het kind is niet gestorven, maar het slaapt’ (vers 39). De klaagvrouwen lachten Hem om Zijn woorden uit. Daarna dreef de Heere Jezus alle rouwklagers naar buiten en bleef ten slotte met de ouders en Zijn drie discipelen Petrus, Johannes en Jakobus in de kamer van het overleden dochtertje achter. Toen greep Hij de hand van het gestorven meisje en sprak: Talitha kûmi; hetwelk is, zijnde overgezet: Gij dochtertje (Ik zeg u) sta op (vers 41). Terstond stond het twaalfjarige meisje op en de Heere gebood de ouders haar eten te geven als bewijs dat het meisje werkelijk levend was geworden.
Al gebeuren er zulke wonderen nu niet meer, toch noemt de Heere de ware bekering een levendmaking. Paulus zegt tegen Gods kinderen in Éfeze: En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden. Laten we de Heere voortdurend vragen of Hij ons door Zijn Woord en Geest die levendmaking wil schenken. In het lezen en de prediking van Gods Woord komt steeds de oproep tot ons: Ontwaak, gij die slaapt (de geestelijke slaap van de zonde, zegt kanttek. 20), en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten (Ef. 5:14).
Maar die nu hulp’loos kermen,
Verdrukt en vol gebrek,
Brengt God, door vrij ontfermen,
Haast in een hoog vertrek (Ps. 107:21).
(Volgende keer D.V. 10. Twee blinden genezen)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 26 april 2023
De Wachter Sions | 12 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van woensdag 26 april 2023
De Wachter Sions | 12 Pagina's