Twee levensvragen
Twee vragen klinken er: Waar komt u vandaan en waar zult u naartoe gaan?
Vanwaar komt gij en waar zult gij heengaan? Genesis 16:8
Het zijn vragen die vaak gesteld worden als mensen elkaar ontmoeten. Zeker ook in deze tijd van het jaar, wanneer er veel mensen op reis zijn (geweest). Vragen tussen mensen onderling. In de tekst zijn het vragen die niet door een mens worden gesteld, maar door de Engel des HEEREN, dat is de Heere Jezus Christus in een oudtestamentische openbaring. Het zijn vragen van levensbelang. We zijn immers allemaal op reis. Op onze levensreis, naar de grote Godsontmoeting. Wat is uw antwoord op deze vragen?
De Heere stelde deze vragen aan Hagar, die in de woestijn bij een waterput zat. Ze was weggevlucht bij Sarai, door wie ze aan Abram tot een vrouw was gegeven. Ze was zwanger geraakt. Sarai had Hagar vernederd. Maar Hagar weigerde zich te laten vernederen en was gevlucht. Uitgeput is ze terechtgekomen bij een waterfontein in de woestijn, op de weg van Sur, richting Egypte, waar ze een paar jaar geleden vandaan was gekomen. Daar vindt de Engel des HEEREN haar.
Het was de HEERE Zelf Die Hagar tegenhield op haar vlucht. Het is een zegen als we worden tegengehouden op eigen gekozen wegen. We laten de vraag rusten of Hagar de ware geestelijke vernieuwing van het hart kende. Wel blijkt dat de Heere haar op haar vlucht zag. Hij is de Alwetende. Hij ziet alle dingen. De Heere weet precies wie Hagar is. Hij noemt haar bij haar naam en stelt een ontdekkende vraag. Hagar was op weg naar Egypte, waar de afgoden gediend werden, waar de duisternis van de zonde heerste. En ze vluchtte weg bij de tent van Abram, bij het altaar, bij de inzet- tingen van de Heere, waar de enige ware God werd gediend.
Verloren paradijs
Geliefde lezer, als de HEERE deze vragen aan ons stelt, wat is dan ons antwoord? Hagar was weggelopen van de plaats waar ze hoorde. Hebben wij door het ontdek- kende werk van Gods Geest al geleerd dat we afkomstig zijn uit het verloren para- dijs? Daar hoorden we, onder Gods gezag, in gehoorzaamheid. Maar wij hebben ons aan dat gezag onttrokken en God de rug toegekeerd. We zijn in hoogmoed weg- gelopen. Moed- en vrijwillig gevlucht van de HEERE, onze Schepper, Die recht op ons heeft. Wij hebben God op het hoogste misdaan, zijn van het heilspoor afgegaan, gaan een eigen gekozen weg van de zonde, als slaven van de duivel. We dwalen door de aardse woestijn steeds verder van God af in de duisternis van ons bestaan naar de eeuwige nacht, om eigen schuld. Is het uw diepe zielennood geworden? En weet u niet meer hoe u ooit moet terugkeren? ‘En waar zult gij heengaan?’ Er zijn slechts twee bestemmingen: of naar het eeuwig leven, of naar de eeuwige dood. De Predi- ker zegt: ‘De mens gaat naar zijn eeuwig huis’. Dat betekent, naar zijn eeuwige bestemming. Weegt die vraag? Of stellen we ons die vraag nooit? We moeten een- maal voor God verschijnen. Waar is onze reis naar toe? Zijn we al bij onze naam genoemd door de Heere? Is ons de rust opgezegd? Is de schuld ons aangewezen door de Heere? Als het licht van de alwe- tende God in ons hart gaat schijnen, blijft er alleen maar zonde en schuld over.
Hagar zegt in vers 8: ‘Ik ben vluchtende van het aangezicht van mijn vrouw Sarai’. Ze moest met haar schuld voor de dag komen. Wat is het groot als we onze schuld hartelijk voor de Heere gaan leren belij- den: Ik heb U verlaten, ik ben een wegloper, ik heb gedaan wat kwaad is in Uw oog, dies ben ik, Heere, Uw gramschap dubbel waar- dig. Dan worden we klein gemaakt voor de Heere en leren we het eens worden met de Heere, Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.
Wat een wonder als dan gehoord mag worden van een Weg ter ontkoming. Als Hij bekendgemaakt en verklaard gaat worden in het hart, Die het gezegd heeft: Ik ben de Weg en de Waarheid en het Leven. Wat zijn we gelukkig als we geborgen mogen zijn in een Ander, de Heere Jezus Christus. Dan reizen we naar de eeuwige zaligheid.
De weg terug
De weggelopen Hagar krijgt nog een bood- schap van de Heere. Ze moet terug naar de plaats waar ze vandaan kwam. Ook wij mogen de boodschap van Gods Woord nog horen. Wat een lankmoedigheid van de Heere. Hij roept ons toe: Keert weder, gij afkerige kinderen, Ik zal uw afkeringen genezen. Terug tot God, dát is de weg tot behoud.
En hoe moet Hagar wederkeren? Ze moet zich vernederen onder de handen van Saraï. Wat is voor een hoogmoedig Adams kind nodig? Om door Gods genade als een arme, verloren zondaar voor de Heere te leren buigen en het voor Hem te leren verliezen. Vernedert u dan onder de krachtige hand Gods!
Er is een weg terug voor ellendige zon- daren, voor weglopers, voor mensen die voor God op de vlucht zijn. Hoe kan dat? Een weg terug om Christus’ wil, Die het verlorene zoekt. Vanwaar kwam Hij? Uit de eeuwigheid. Daar heeft geklonken: Zie, Ik kom. Hij kwam vrijwillig, gezonden door de Vader, als de Knecht des Vaders. Hij heeft het Vaderhuis verlaten, om alles aan te brengen wat nodig was tot verheerlijking van God en de zaligheid van al de Zijnen. Het was de weg van de kribbe naar het kruis. Hij is opgestaan uit de doden en heengegaan naar de hemel als de ver- hoogde Zaligmaker, waar Hij altijd bezig is voor het aangezicht van Zijn Vader ten goede voor Zijn Kerk.
Hij zal ze allen tot Zich trekken die Hij gekocht heeft met de prijs van Zijn bloed. Want de Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken dat ver- loren was.
Opdat zelfs ’t wederhorig kroost Altijd bij U zou wonen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 2022
De Saambinder | 20 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 2022
De Saambinder | 20 Pagina's