Ware blijdschap
In de media wordt nogal eens het beeld geschetst dat christenen weinig blijdschap hebben. De somberheid van de bevindelijk gereformeerden is ook een thema in de literatuur.
Verblijdt u in den Heere allen tijd; wederom zeg ik: Verblijdt u. Filippenzen 4:4
Bekend is de geschiedenis van de twee treurige ouderlingen in het boek van Maarten ’t Hart, ”Een vlucht regenwulpen”. Dit negatieve beeld bestond ook al in de achttiende eeuw, toen de gereformeerden ‘dompers’ werden genoemd.
De apostel Paulus slaat een heel andere toon aan: ‘Verblijdt u in den Heere allen tijd’. De brief aan de Filippenzen schreef hij toen hij opgesloten was in een cel in Rome, rond het jaar 61 (Fil. 1:13). Hij zat daar niet om enige misdaad, maar ter wille van de Naam en de zaak des Heeren. Geketend was hij aan de arm van een soldaat.
Voor zijn levensonderhoud was hij afhankelijk van zijn vrienden, hoewel de meesten hem verlaten hadden. ‘In mijn eerste verant- woording is niemand bij mij geweest, maar zij hebben mij allen verlaten. Lukas is alleen met mij’ (2 Tim. 4).
Er was voor de apostel alle reden tot somberheid in de gevan- genis. Toch wordt de brief aan de Filippenzen de brief van de blijdschap genoemd. Zestien keer spreekt Paulus over blijdschap, zoals hier. ‘Verblijdt u in den Heere allen tijd; wederom zeg ik: Ver- blijdt u’ (Fil. 4:4).
Bron
We vragen de apostel Paulus wat de bron van zijn blijdschap is. We kunnen het antwoord lezen in het midden van de tekst: ’den Heere’. God Zelf is de bron van zijn blijdschap. Het Griekse woord voor verblijden (chairo) heeft dezelfde stamletters als het woord voor genade (charis). De blijdschap van Paulus was hem uit gena- de ten deel gevallen. Eerst vervolgde hij de gemeente Gods. Maar de Heere hield hem tegen op de weg naar Damascus en zo kwam hij in de straat de Rechte. Drie dagen en nachten was hij in grote droefheid verzonken omdat Hij Jezus, de Zoon van God, had vervolgd. ‘Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt’ (Hand. 9:5). Hij kon er niet meer van eten en drinken. Hij moest beamen dat hij met al zijn farizese vroom- heid zich de eeuwige dood had waardig gemaakt.
Luther zei dat zo:
De dood stond mij voor ogen;
de schulden hebben dag en nacht
zwaar op mijn ziel gewogen.
Steeds dieper zonk ik in ‘t moeras,
omdat ik niets dan zonde was,
in ijdelheid geboren.
Maar toen behaagde het de Heere Zijn Zoon in hem te openbaren. Welk een ongedachte blijdschap toen er bij God vandaan een Lam was, Dat de zonde der wereld wegneemt. ‘Ik zal Hem nooit ver- geten, Hem mijn Helper heten’ (Ps. 33:10).
Christus had eens gesproken tot Zijn discipelen: ‘En niemand zal uw blijdschap van u wegnemen’ (Joh. 16:22). Deze blijd- schap is in het leven van Paulus wel zeer bestreden, maar nooit weggenomen. Hij is geweest in gevaren van rivieren, moorde- naars, heidenen, de woestijn, de zee, valse broeders. Maar noch keizer Nero, noch de gevangenis in Rome, kon de blijdschap van de apostel wegnemen, want ‘hij werd in de kracht Gods bewaard door het geloof tot de zaligheid’ (1 Petr. 1:5).
Opwekking
De gevangene in Christus roept de ge- meente Gods in Filippi op om zich ook ‘in den Heere’ te verblijden. Dat verdient onze opmerkzaamheid. Wat kunnen ook Gods kinderen klagen over alle mogelijke zorgen die terneerdrukken. ‘Al deze dingen zijn tegen mij!’ (Gen. 42:36). Over tegenslagen op het werk, moeiten in het gezin, zorgen in de kerk. En zeker, er zijn vele dingen die bezwaren kunnen, niet in het minst het aardsgezinde hart. Maar bij de apostel Paulus wegen al deze zaken niet op tegen wat hij om niet ontvangen heeft ‘in den Heere’. Het is alsof hij wil zeggen: daar- heen moet uw blik gericht zijn, Filippenzen. Zie niet op de dingen die van beneden zijn, maar zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods. Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Deze wereld is een plaats van strijd. Er zijn vele vijanden. ‘In ons is geen kracht tegen deze grote menigte die tegen ons komt, (...) maar onze ogen zijn op U’ (2 Kron. 20:12).
Wat een bemoedigende prediking van een eenzame gevangene in Rome. Aanstonds zal de blijdschap volkomen zijn ‘in den Heere’ als de laatste vijand te niet gedaan wordt, namelijk de dood. Dan zal de Koning tegen al Zijn pelgrims zeggen: ‘Vreest niet, gij klein kuddeken, want het is uws Vaders welbehagen, ulieden het Koninkrijk te geven’ (Luk. 12:32). ‘En eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen’ (Jes. 35:10).
Belijdenis
Geliefde lezer, dat is er allemaal ‘in den Heere’ te vinden. Buiten de Heere valt deze wereld tegen. Maar er is ‘vrolijkheid voor de oprechten van hart’ (Ps. 97:11).
Hoedanig is uw leven? Is de Heere al uw blijdschap geworden? Of kunt u het nog uithouden bij de ijdele vreugd van de wereld? Laat de duivel en de wereld hun ple- zier maar houden. Het stelt niets voor. Eén virus en de ijdelheidskermis gaat op slot. Zoekt toch de dingen die boven zijn. ‘De goddelozen hebben geen vrede, zegt God’.
Paulus troost de uitverkorenen Gods in Filippi met een blijdschap die in een drie- enig God zo eeuwig vast ligt dat hij het nog eens herhaalt: ‘Wederom zeg ik: verblijdt u’. Vanuit deze tekst over de blijdschap ‘in den Heere’ wordt ook u, arm en sterfelijk zondaar, ernstig en welmenend toegeroe- pen: ‘Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uw dag, hetgeen tot uw vrede dient!’ (Luk. 19:42).
ds. G. Clements, Gouda
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 2021
De Saambinder | 20 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 2021
De Saambinder | 20 Pagina's