Over de toepassing van het heil - John Flavel (ca. 1630-1691) - 208
Hoofdstuk 31 Dood in de zonde (2)
Daarom zegt Hij: Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten. Éfeze 5:14
Het eerste. In welke zin wordt er van mensen die zonder Christus zijn, van mensen die niet wedergeboren zijn, gezegd dat ze dood zijn? Om dit te verduidelijken moeten we weten dat er een drievoudige dood is, namelijk een natuurlijke, een geestelijke en een eeuwige dood. De natuurlijke dood is niets anders dan dat het beginsel van het natuurlijke leven ontbreekt; of dat de ziel van het lichaam gescheiden is. Zonder de geest is het lichaam dood (Jak. 2:26). De geestelijke dood is, dat het beginsel van geestelijk leven ontbreekt, het is het gemis, de afwezigheid van de levendmakende Geest van God in de ziel. De ziel is het leven van het lichaam, en Christus is het leven van de ziel. De afwezigheid van de ziel is de dood voor het lichaam, en de afwezigheid van Christus, of het gemis van Christus, is de dood voor de ziel. De eeuwige dood is, dat de ziel zowel als het lichaam van God gescheiden is: dat is de ellende van de verdoemden. Welnu, mensen die zonder Christus zijn, mensen die niet wedergeboren zijn, zijn niet dood in de eerste zin. Zij leven naar de natuur, ook al zijn ze bij hun leven dood. Zij zijn nog niet dood in de laatste zin; ze zijn nog niet door een onherroepelijk vonnis voor eeuwig van God gescheiden, zoals de verdoemden. Zij zijn echter wel dood in de tweede zin: ze zijn geestelijk dood, terwijl ze naar de natuur in leven zijn. Deze geestelijke dood is de voorloper van de eeuwige dood. In de Schrift wordt de geestelijke dood geplaatst tegenover een tweevoudig geestelijk leven, namelijk het leven der rechtvaardigmaking en het leven der heiligmaking.
De geestelijke dood tegenover het leven der rechtvaardigmaking is niets anders dan dat de schuld van de zonde ons brengt onder het vonnis des doods. De geestelijke dood tegenover het leven der heiligmaking is de verontreiniging door, en de heerschappij van de zonde. In beide betekenissen zijn mensen die niet wedergeboren zijn, dood. Het is dit laatste waarover ik hier in eigenlijke zin graag wil spreken.
Het tweede. Laten we in het kort eens nadenken over wat de geestelijke dood is. De geestelijke dood is, zoals hiervoor werd aangeduid, dat de levendmakende Geest van Christus niet in de ziel van een mens is. Het is een dode ziel, waarin de Geest van Christus, in het werk der wedergeboorte, niet is uitgestort. Al haar werken zijn dode werken, zoals ze worden genoemd in Hebreeën 9:14. Want kijk maar eens hoe het bij de verdoemden is: ze leven, ze hebben besef, ze bewegen - en in dat alles zijn ze onsterfelijk. En toch: omdat ze voor eeuwig van God gescheiden zijn, verdient het leven dat ze leiden de naam van leven niet: overal in de Schrift wordt het ’dood’ genoemd. Zo is het met mensen die niet wedergeboren zijn: naar de natuur zijn ze in leven: ze eten en drinken, kopen en verkopen, praten en lachen, ze hebben vreugde in het geschapene. Velen van hen brengen hun dagen door in plezier - en dan dalen zij neer in het graf. Dat is het leven dat ze leiden, maar toch noemt de Schrift het liever dood dan leven. Al leven ze: toch is dat zonder God in de wereld. Hoewel zij leven, is dat toch een leven dat vervreemd is van God (Ef. 2:12; 4:18). En daarom: zolang zij naar het natuurlijke in leven blijven, zegt de Schrift over hen dat ze ’in de dood blijven’ (1 Joh. 3:14), dat ze ’levend gestorven zijn’ (1 Tim. 5:6).
Er is een heel belangrijke reden waarom iemand die buiten Christus is, die niet wedergeboren is, in de Schrift onder het beeld van de dood moet worden voorgesteld. Immers, er is in de natuur niets dat de ellendige staat van de ziel treffender kan voorstellen dan de natuurlijke dood. Doden zien en onderscheiden niets, en de natuurlijke mens neemt de dingen die Godes zijn niet waar. Doden hebben niets schoons of begerenswaardigs in zich: Begraaf mijn dode van voor mijn aangezicht, zegt Abraham. Evenmin is er enige geestelijke liefelijkheid in iemand die niet wedergeboren is. Het is waar: sommigen van hen hebben aangename natuurlijke eigenschappen, en in zedelijk opzicht munten ze uit - en dat zijn aantrekkelijke dingen. Het zijn echter evenzovele bloemen die een dood lichaam bedekken en mooi maken.
Doden zijn het voorwerp van jammer en groot beklag: het was de gewoonte om rouw te dragen over de doden: …want de mens gaat naar zijn eeuwig huis, en de rouwklagers zullen in de straat omgaan (Pred. 12:5). Maar een ziel die niet wedergeboren is, een ziel zonder Christus, is nog veel méér het voorwerp van jammer en beklag. Wat is het voor heel Gods volk een aangelegen zaak om over hen te rouwen, vooral wanneer het gaat om degenen die door natuurlijke banden met hen verbonden zijn! Abraham treurde om Ismaël: Och, dat Ismaël mocht leven voor Uw aangezicht! (Gen. 17:18). Om deze, en om vele andere redenen wordt voor ons de staat van het niet wedergeboren-zijn onder het beeld van de dood voorgesteld. (wordt vervolgd)
© 2008 Den Hertog B.V. Houten.
Geschonken genade
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 2021
De Wachter Sions | 12 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 2021
De Wachter Sions | 12 Pagina's