Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Gaven genomen om uit te delen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gaven genomen om uit te delen

5 minuten leestijd Arcering uitzetten

De kanttekenaren zeggen zo helder dat David Psalm 68 heeft gemaakt bij het opvoeren van de ark des verbonds. ‘Daarbij heeft hij zich in de geest verheugd over onze Heere Jezus Christus, bijzonder over Zijn verrijzenis en hemelvaart’.

Zakelijker en duidelijker kan het niet gezegd worden. We weten ook dat, toen de ark werd opgebracht, er om de zes treden een offer moest worden gebracht. Zo ontstond er een pad van bloed. En toen de grote Hogepriester, na profetisch onderwijs, koninklijk opvoer vanaf de Olijfberg, lagen daar in de hof van Gethsemané niet op de aarde donkere vlekken van de bloedzwetende Borg? Bloedvlekken.

Maar op de Hemelvaartsdag heeft Hij niet het bloed van stieren of bokken, maar Zijn eigen (harte)bloed ingebracht in het heilige der heiligen. Door Zijn bloed heeft Hij een gesloten hemel geopend voor hen die Hem van de Vader reeds in de stilte van de eeuwigheid gegeven waren. De hemeldeur scharniert immers op bloed. Lezer, leerden we reeds dat wij door onze diepe val, door onze vele zonden en totaal bedorven bestaan de hemel gesloten en de hel ge opend hebben? Heeft u ook weleens geprobeerd om door tranen, keuzen, gestalten, verzuchtingen en gebeden die hemel te openen?

Nu is Hij opgenomen door de Vader, Die volkomen verzoend is door dit bloed. Hij is opgenomen maar ook opgevaren! En toen de Middelaar opvoer, nam Hij Zijn hele uitverkoren Kerk mee, want Hij heeft hen mede gezet in de hemel (Ef. 2:6). Erskine zegt zo treffend: Ook de kop van de satan nam Hij mee, zoals David eenmaal het afgeslagen hoofd van Goliath naar Jeruzalem bracht (1 Sam. 17:54). ‘Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd’. Zo zegt onze tekst. En de kanttekenaren bij Efeze 4 zeggen over deze stof: ‘namelijk de zonde, duivel, dood en verdoemenis’.

Vrijbrief en sleutels

Wat nam deze ten hemel opgevaren Vorst nog meer mee? Wel, de vrijbrief voor heel Zijn Kerk, want het handschrift der zonde dat tegen hen was, is uitgewist (Kol. 2:14). Wat nog meer? De sleutels van de hel en van de dood (Openb. 1:18). ‘Gij voert ten hemel op vol eer, de kerker werd Uw buit o HEER’’.

In Daniël 7 vers 9 en 10 lezen we vervolgens van een troon in de hemel van vuurvonken, met raderen van brandend vuur en een vurige rivier. Nu is er in de hemel een verse en levende weg in Zijn bloed. Heden is die ontoegankelijke troon (onze God is immers een verterend vuur!) besprengd met het bloed der verzoening. Wat een onbevattelijk, ondoorgrondelijk wonder. Nu staat er een genadetroon in de hemel. O, lezer, dat we door Gods Geest uit louter genade dáár een recht gebruik van mochten maken. Als een smeker, kermer, onwaardige, ellendige, onreine, schuldige en nooddruftige bedelaar. Omdat we dat nu uit onszelf nooit zouden willen en kunnen, is het juist een wonder dat ook bij de gaven die de verhoogde Middelaar uitdeelt, behoort dat Hij trotse en hoogmoedige zondaren, zoals wij dat in onze diepe val geworden zijn, door Zijn Geest levend wil maken, wil verootmoedigen, ontdekken en ontgronden.

Aardse koningen behielden de buit van verslagen vijanden vaak voor zichzelf, deze Koning deelt de door Hem verworven gaven juist uit. En dat onder mensen, Adamieten en wederhorigen. Zoals David bij de opvoering der ark broodkoeken, vlees en wijn uitdeelde, zo, ja duizendmaal meer deelt de verhoogde Koning Zijn gaven uit. Zeker, als eerste gaven worden in de Efezebrief de ambtsdragers genoemd, omdat Zijn eer boven alles staat en Hij Vaders raad en welbehagen volvoert, ook door middel van de ambten. Maar onder die gaven vallen ook de Persoon van de Heilige Geest, Zijn zaligmakende werkingen en Zijn inwoning. Er staat: gaven. Meervoud dus. Dit is een schat van zegeningen, van leven, geloof, waarheid, licht en liefde, van vrede met God en verzekering van het geloof. Maar hoe noodzakelijk dat Hij, wonder toch, het gezegende bloed dat reeds vloeide op de achtste dag bij Zijn besnijdenis, dat gestort werd in Gethsemané, op Gabbatha en Golgotha, dat ingebracht werd op de Hemelvaartsdag, ook zal toepassen door Zijn Geest in uw, in mijn ziel. Hoe noodzakelijk!

Bron des levens

Lezer, daar komt het alles op aan, voor u en mij. ‘Waar het bloed door U gestort, mij de bron des levens wordt’. Het is zo’n persoonlijke zaak. Er is een volk dat door genade heeft mogen leren dat er bloed is. En dat daar iets van mocht zien, dat de onmisbaarheid ervan beleefde, maar dat de toepassing nog zo moet missen. Dat maakt nu hun armoede en ellende uit. Zij kunnen er niet bij. Het is wel voor anderen, voor Zijn uitverkorenen, voor Zijn schapen, maar, ach, voor hen? Wat een wonder als Hij, de grote Verwerver der zaligheid, op Zijn tijd naar Zijn welbehagen op hun gebeden ook gaat schenken: ‘Ik zal rein water op u sprengen, en gij zult rein worden’.

O, de Middelaar Zelf is een onuitsprekelijke Gave, uit het welbehagen des Vaders. Maar Hij is ook de Gave des Heiligen Geestes, door Welken wij door Christus de toegang hebben tot de Vader. Hij is geschonken aan gevallen Adamieten, aan wederhorigen en goddelozen, aan verdoemden en verlorenen. Want allen die deze weldaad ontvangen gaan het beleven dat de Heere alle gronden buiten dat bloed afsnijdt, totaal. En Hij doet dat Schriftuurlijk door Zijn Geest.

Wat is het doel ervan? ‘Om bij U te wonen, o HEERE God’ (Ps. 68:19b). Eeuwig bij Hem wonen, eindeloos, storeloos. Dan eindigt alles in de uitroep van het wonder. ‘Door U, door U alleen, om het eeuwig welbehagen’. Lezer, mogen we door genade iets van deze heilgeheimen kennen? Smeken we daar toch om, als vrucht van de gestorven, maar ook opgestane en verhoogde Middelaar.


Gij zijt opgevaren in de hoogte, Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd, Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen, om bij U te wonen, o HEERE God.

Psalm 68 : 19

Dit artikel werd u aangeboden door: De Saambinder

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 2023

De Saambinder | 20 Pagina's

Gaven genomen om uit te delen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 2023

De Saambinder | 20 Pagina's