Samenspraak over de brief van Paulus (27)
Want zovelen als er zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan; en zovelen als er onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden; (Want de hoorders der wet zijn niet rechtvaardig voor God, maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden. Romeinen 2:12-13
HOPENDE: Als God in Zijn rechtvaardigheid recht verhoogd wordt, dan wordt Christus ook pas recht gepredikt. En dan wordt ook de vrije genade Gods alleen maar recht in het licht gesteld. De vorige keer hebben we gehoord hoe de Heere Jood en Griek beiden op een rechtvaardige wijze naar hun werken vergeldt. En in het 11e vers is dan ook nog door de apostel gezegd: Want er is geen aanneming des persoons bij God. Voor God staan alle mensen gelijk in hun gevallen staat in Adam. Maar het oordeel Gods is dan ook een rechtvaardig oordeel. Als we verdoemd worden, worden we rechtvaardig verdoemd, of we nu Jood of Griek zijn. En als we met God verzoend worden, worden we op een rechte wijze met God verzoend. Voor de vrome Joden was het een uitgemaakte zaak, dat zij als Abrahams zaad niet verloren konden gaan. Voor de heidenen was er volgens hen geen andere weg dan naar de eeuwige rampzaligheid. Zo wisten zij zich dus ver boven de heidenen te verheffen. In zijn eigengerechtigheid is de mens een hovaardig schepsel. UITZIENDE: Och ja, vriend, alleen de genade Gods vernedert een mens maar. De ware zielsontdekking brengt de mens wel aan de grond. Dan kan een heiden beter bekeerd worden dan zo’n mens, al heeft men ook altijd onder Gods Woord en onder de zuivere leer van Gods Woord geleefd. Men ziet zich schuldig staan aan al Gods geboden, te meer daar men met de wet van God in kennis is gesteld. Moedwillig en tegen beter weten in, heeft men Gods geboden overtreden. Men is er dan ook van overtuigd, dat als de heidenen verloren gaan, het oordeel Gods voor hen niet zo zwaar zal zijn als voor zulk een mens die van Gods wet geweten heeft en niet ongewaarschuwd de zonden heeft bedreven.
HOPENDE: Dat is nu juist ook waar de apostel ons op wijst in de woorden waaraan we nu onze aandacht even willen geven. Hij zegt: Want zovelen als er zonder de wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan; en zovelen als er onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden. Hij heeft over Jood en Griek gesproken. Beiden zullen zij naar hun werken geoordeeld worden. En dat zal vanzelfsprekend geschieden naar het richtsnoer van Gods wet. Toch zal er een onderscheid tussen hen beiden zijn. De Grieken hebben zonder Gods wet geleefd. De apostel bedoelt met die wet de beschreven wet. Ook de heidenen leven niet geheel zonder de wet. In het vervolg van dit hoofdstuk zal de apostel daar ook nog op wijzen. In de verzen 14 en 15 zegt hij immers: Want wanneer de heidenen, die de wet niet hebben, van nature de dingen doen, die der wet zijn, dezen de wet niet hebbende, zijn zichzelven een wet; als die betonen het werk der wet geschreven in hun harten, hun consciëntie medegetuigende, en de gedachten onder elkander hen beschuldigende of ook ontschuldigende. De woorden vanaf vers 13 tot en met 15 staan tussen haakjes. De apostel voegt er dit dus maar even tussen.
God heeft eenmaal de wet ingeschapen in het hart van de mens. De mens was naar Gods beeld geschapen. Dat betekende ook, dat de wet der liefde in zijn hart was. Nu is de mens diep gevallen, maar hij is redelijk schepsel gebleven. Zo is er nog een natuurlijke Godskennis bij de gevallen mens. Maar zo is er dan ook nog iets van die ingeschapen wet in hem overgebleven. Vandaar is het, dat er nog een besef is ook bij de heidenen, van het onderscheid tussen goed en kwaad. Ze zullen dan ook rechtvaardig naar Gods wet geoordeeld worden. Maar toch hebben zij zonder de wet geleefd. Zonder de beschreven wet. En ook wisten zij van de Mozaïsche wet niets af. Toch zullen zij rechtvaardig verloren gaan. Ze hebben van het Evangelie niet geweten, want in de ceremoniële wetten was er een ruim Evangelie te vinden, daar die wetten toch duidelijk heenwezen naar Christus. Het oordeel Gods echter, zal ook over de heidenen rechtvaardig zijn. Zij zijn ook gevallen Adamskinderen. En zij hebben nog iets van de ingeschapen wet in hun hart. Als zij verloren gaan, zullen ze dus ook rechtvaardig verloren gaan.
UITZIENDE: De apostel spreekt dus over een verloren gaan. Och vriend, dat houdt toch wat in! Met dat verloren gaan wordt immers geen vernietiging bedoeld. Verloren te gaan houdt niet minder dan een eeuwige rampzaligheid in. Och vriend, al degenen die door genade behouden worden, zullen weten wat het zijn zal om voor eeuwig verloren te moeten gaan. Eeuwig zal men Gods gunst en gemeenschap moeten missen en Gods volle toorn moeten dragen. Ze weten tegenwoordig toch zo mooi te vertellen, dat al degenen die zalig worden, niet langs de rand van de hel geleid worden. En ze beroepen zich daartoe nog op de oudvaders ook. En zeker, wij houden ook wel voor ogen dat de leidingen Gods verschillend zijn en we weten ook wel, dat wij de mate van de angst en de benauwdheid in de overtuiging van de zondaar niet hebben te bepalen. De Heere is eeuwig vrij in Zijn leiding. Maar onze Catechismus spreekt over een weten van hoe groot onze zonden en ellende zijn. Als we dat niet weten, dan weten we ook niet waaruit we verlost zijn. Het is voor mij toch opmerkelijk geworden, dat hoe jong ik ook nog was, toen ik aan mijn ellendige staat ontdekt werd, het ten volle tot me doorgedrongen is, hoe vreselijk het zal zijn om voor eeuwig verloren te moeten gaan. Ik heb in mijn ambtelijke bediening gezien hoe noodzakelijk deze ellendekennis voor me is geweest, opdat ik het anderen zou kunnen voorhouden, dat, al wordt men ook van der jeugd af aan geleid, men zonder een rechte kennis der ellende niet tot de kennis der verlossing komt. We zingen verschillende Psalmen die van zulk een kennis der ellende gewagen. We hebben maar te denken aan Psalm 116 en ook aan andere Psalmen, waarvan ik alleen Psalm 142 nog maar noemen zal, waar we de dichter horen zeggen:
’k Riep tot den Heer’ met luider stem;
Ik smeekt’ en riep vol angst tot Hem.
’k Heb, voor Zijn aangezicht, mijn klacht
In mijn benauwdheid voortgebracht.
En:
Als mij geen hulp of uitkomst bleek
Wanneer mijn geest in mij bezweek,
En overstelpt was door ellend;
Hebt Gij, o Heer’, mijn pad gekend.
Zo zou ik meer Psalmen kunnen noemen. Ze worden luidkeels opgezongen, ook door degenen die er niet van willen weten dat men een verloren mens voor God moet worden. Die Psalmen zijn dan volgens hen gedicht onder bepaalde moeilijke omstandigheden uitwendig, waarin de dichter verkeerde. Dus als men bij de behandeling van de eerste zondagsafdelingen van de Heidelbergse Catechismus deze Psalmen laat zingen, zijn ze eigenlijk niet op hun plaats bij de behandeling van zo’n onderwerp. Men behoeft niet uit een ruisende kuil en modderig slijk opgehaald te worden. Maar vriend, ik houd me er toch aan, dat men er wat van zal moeten weten wat het zijn zal, om voor eeuwig verloren te moeten gaan. En ik wil toch ook niet oversteken met degenen die het wel met minder kunnen doen en die zo evangelisch geleid, buiten de wet om, op de hemel aanreizen.
HOPENDE: Vriend, ik ben het met u eens. Ik geloof dat we elkaar hierin toch hebben gevonden. Het zal toch zo vreselijk zijn om voor eeuwig verloren te moeten gaan. Voor de heidenen zal dat ook vreselijk zijn. En als we er voor onszelf iets van gevoeld hebben wat het zal zijn om verloren te moeten gaan, zullen we ook met mededogen omtrent die heidenen vervuld zijn en er ook wat voor over hebben, als hun het zuivere Woord nog zal kunnen worden verkondigd. De apostel laat ons echter weten, dat het zondigen onder de wet, het oordeel zoveel te zwaarder zal doen zijn. En de Joden leefden ook onder de verkondiging van het Evangelie. Dat Evangelie kwam ook door de ceremoniële wet tot hen. Maar daarom zal het ook Tyrus en Sidon verdraaglijker zijn in de dag des oordeels dan hen. Ze waren maar hoorders der wet geweest maar geen daders. En de daders der wet alleen zullen gerechtvaardigd worden. De kanttekening zegt hiervan: ‘namelijk door de wet, of naar de beloften der wet; Rom. 10:5. Doch alzo niemand de wet volkomenlijk onderhoudt, vanwege de verdorvenheid, die in de mens is, Rom. 8:3; Gal. 3:10, zo wordt niemand uit de wet of door zijn werken gerechtvaardigd, maar alleen door de gerechtigheid van Christus, door het geloof ons toegerekend; Rom. 3:20, 21, 22’. Dat zal de apostel ons in geheel de Romeinenbrief duidelijk leren. (wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 maart 2023
De Wachter Sions | 12 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 maart 2023
De Wachter Sions | 12 Pagina's