Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een voetveeg in de kribbe

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een voetveeg in de kribbe

Het is een donkere nacht. De herders zien geen hand voor ogen, maar ze hoeven niet te zoeken. Want deze nacht is het voor hen vindenstijd.

4 minuten leestijd Arcering uitzetten

En zij kwamen met haast en vonden Maria en Jozef, en het Kindeke liggende in de kribbe. Lukas 2:16

Was het wel een stal waarin het Kindeke geboren werd? Was het niet een schuur of een grot, zoals velen menen? Het doet er niet toe. Wat de herders zochten, vinden ze, staat er. En wat ze vinden is dit: ‘Maria en Jozef’. En pas daarna lezen we: ‘… en het Kindeken liggende in de kribbe’. Lukas schrijft niet één woord van verba- zing bij de herders over de armoedige omstandigheden. Maar wat ze in de stal aantreffen is wel, zegt Calvijn, ’geschikt om hen van Christus te vervreemden. Wat toch streed meer tegen het gezonde verstand dan te geloven dat iemand, Wien men zelfs de allerlaagste plaats niet waardig achtte, Koning van het ganse volk zou zijn?’

In de stal is het al armelijkheid en ver- nedering. Maar bij de herders is er geen verwondering. Als geen ander weten zij wat armoede is. Er is maar één ding dat hier telt, ze hebben gevonden! ‘Als wij maar de eerste voet zetten in Zijn herberg, o, hemelse wonderen zullen wij zien voor onze ogen’ (Isaac Ambrosius).

Maria en Jozef

In een duistere stal worden buitenstaan- ders binnengelaten. Daar vinden de herders ‘Maria en Jozef, en het Kindeken liggende in de kribbe’. Hun oog valt eerst op Maria, de vermoeide jonge moeder uit het verachte Galiléa, vervolgens op Jozef, de timmerman die er toch wat verlegen bij staat te kijken. Jozef had wel het voor- nemen gehad om Maria te verlaten, maar het was niet gebeurd. Bij de kribbe zijn ze innig samen. Twee Godvrezende mensen (ook zíj hebben een engelverschijning meegemaakt!), ze zijn uit- en doorgehol- pen. Het lijkt in deze stal wel een kleine gemeenschap der heiligen.

Maar de herders zien het jonge paar voor- bij. Maria kan hen in hun nood niet helpen, Jozef nog veel minder. Het is hen om het Kindeke te doen. Ze hebben Hem gevon- den Die hun zielen hebben lief gekregen. Aardse herders vinden de goede Herder, een gewoon Kind, zo ontzettend arm en afhankelijk. Maar in de stal ligt Hij toch in het midden, schamel in doeken gekleed, nederig weggelegd, als het Brood des levens in een voederbak, Christus, de Heere, Die Zijn leven zal stellen voor Zijn schapen. En dan zien de herders niemand meer dan Jezus alleen.

‘Is dit het Kind op Wie wij moeten zien? Zie op het Kind: daar is geen wieg om Hem te wiegen, geen min om Hem te zogen, geen linnen om Hem in te winden, nauwe- lijks een weinig spijs om Hem te voeden. Ik zal mij bekorten en alle wonderen tot dit woord brengen: Hij is de ware Wijnstok’ (Isaac Ambrosius).

In het verborgene hebben de herders Hem gevonden van Wie de discipelen later zullen zeggen: ‘Wij hebben gevonden den Messias, hetwelk is, overgezet zijnde, de Christus’ (Joh. 1:42b). In de kribbe ligt een rijke Christus voor arme zondaren. Daar ligt het heil dat de aarde in ’t rond verheugt, heilig en onbesmet. Hier is de Man van smarten, de Offerande voor de zonden. Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Bij de kribbe moeten bonkige herders door de knieën, ze moeten bukken en buigen. Ze vernederen zich, om bij Hem verhoogd te worden.

Het is maar een Kind, ‘t kan nog niet spre- ken, Het zwijgt, toch gaat er in deze staat van vernedering al een sprake van Hem uit: ‘Hier ligt God in de kribbe’ (Luther). De beloofde Spruit, het Rijsje uit de afge- houwen tronk van Isaï. De rol des boeks is met Zijn naam vervuld. ‘De herders ont- vangen als hun Zaligmaker Hem Die daar ligt als een voetveeg en door alle mensen versmaad’ (Calvijn).

Alom bekend gemaakt

De herders kunnen hier niet blijven, ze moeten weer weg, weer terug. Maar ze hebben gezien én ze geloven. De liefde van Christus dringt hen en daarom gaan ze ook spreken en Zijn Naam belijden onder de mensen. De stenen zouden gaan spreken als ze nu blijven zwijgen. De herders zijn de eersten die Hem gezien hebben, ze zijn ook de eersten die Hem gaan verkondigen: ‘En als zij Het gezien hadden, maakten zij alom bekend het woord dat hun van dit Kindeken gezegd was’ (Luk. 2:17).

Genade maakt gunnend. Dan raakt het her- dershart vervuld met heilsbespiegelingen. Vanuit de volheid van het gemoed raken de herders aan het praten, niet over engelen, niet over zichzelf of hun eigen ervaringen, maar over het Kindeke en over hun Koning. ‘Wat God hen heeft onderwezen is geschied tot onderrichting van al hun naasten, alsof hun een toorts in de vuist gegeven is om hen die niets zagen bij te lichten’ (Calvijn).

(slot)

Dit artikel werd u aangeboden door: De Saambinder

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 januari 2022

De Saambinder | 20 Pagina's

Een voetveeg in de kribbe

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 januari 2022

De Saambinder | 20 Pagina's