Waarom de scherpe wetsprediking?
Het geopenbaarde Woord van God bestaat uit twee delen: de wet en het Evangelie.
De prediking is bediening van het Woord van God, in verklaring en toepassing, zoals dat genoemd wordt. Dat wil allereerst zeggen: wat staat er? De eerbied voor de inspiratie van de Heilige Geest moet daaruit blijken. En vervolgens: wat heeft de Heere hiermee tot mij te zeggen?
Het geopenbaarde Woord Gods bestaat inhoudelijk uit twee delen: de wet en het Evangelie. Daarmee bedoelen we: enerzijds alles wat God eist en waar Hij recht op heeft. En anderzijds alles wat God belooft en wat Hij werkt. Het eisende deel wordt ons evenals het belovende deel in Gods Woord bekendgemaakt. Deze Godsopenbaring wordt in het gehele Woord verkondigd. In de (uit)werking ervan zal de verwonding door de wet voorafgaan aan de heling door het Evangelie. De wond openleggen en daarna de balsem aanreiken. Dat hoort zo bij elkaar, uiteraard in deze volgorde.
God laat prediken
Het leven der genade wordt volgens ons troostboek gekenmerkt door twee zaken: het gebod en het gebed. Dat zijn dus onbetwiste kenmerken van het ware Godswerk in Christus Jezus. Opmerkelijk dat ons troostboek aan het einde van de uitleg van de Tien Gebo- den in Zondag 44 de vraag stelt: ‘Waarom laat ons dan God alzo scherpelijk de Tien Geboden prediken, zo ze toch niemand in dit leven houden kan?’ Twee zaken vallen in deze vraagstelling op. De prediking gaat van God uit. Hij laat ons prediken. Hij laat ons (ook) de wet prediken. Blijkbaar is het geen vraag of dat nodig is. Niet voor niets wordt erbij gevoegd dat deze prediking ‘scherpelijk’ is. De wetsprediking moet scherp zijn, niet vaag, niet algemeen. Het mag geen moraalverhaal over de maatschappelijke ontwikkelingen zijn. Nee, Gods bedoeling is dat de scherpe wetsprediking wat nalaat. Wij moeten geráákt, verwond worden.
De wetsprediking is uiteraard bestemd voor de hele gemeente. De wekelijkse ‘onderwijzing in de christelijke leer’ vindt plaats als Woordverkondiging, binnen de dienst der verzoening. ‘Opdat de mensen tot bekering gebracht en het geloof zullen komen’, belijdt Dordt immers.
Zijn drievoudige bedoeling
Dan volgt het antwoord op deze vraag. Antwoord 115 bestaat uit drie gedeelten. Letterlijk aangegeven met de letters a, b en c. Deze drie gedeelten hangen ook samen met de Schriftbewijzen waarin we het antwoord in Gods Woord kunnen teruglezen. Daarbij valt opnieuw de har- monie tussen de Schrift en onze belijdenis op. De drieërlei bedoeling van de scherpe wetsprediking is samengevat met de werkwoordsvormen:
a. leren kennen
b. zoeken
c. ons benaarstigen en bidden
Hier valt driemaal op dat het een proces is, want we lezen ‘hoe langer hoe meer leren kennen (a), des te begeriger zijn om te zoeken (b), opdat wij hoe langer hoe meer.. (c)’. Een proces, dat niet stilstaat. Want stilstand in het leven der genade is de dood in de pot, met alle gevolgen van dien.
Leren kennen
Het eerste doel van de scherpe wetspre- diking is bevindelijke kennis. Waarvan en hoe? Van onze zondige aard en de aard van de zonde. Dat wil zeggen: wat het wezen en de diepte van de zonde is. De zonde is niet slechts overtreding van Gods gebod, waarin we worden onderwe- zen. Maar het is ook ontering van Gods deugden, aanranding van Zijn eer, misken- ning van Zijn gezag, verwoesting van onze ziel en het is vergrijpen aan de rechten van God en van onze naasten. Door de wetsprediking leren we onze zonde zo in haar aard kennen en zo leren we de aard van onze zonde kennen. Zelfs ‘hoe langer hoe meer en ons leven lang’. Naarmate we langer op de weg zijn, langer onder deze wetsprediking leven, wordt het niet beter, maar steeds erger, steeds walgelijker, ellendiger en schuldiger. Dat blijkt een kenmerk van het ware Godswerk te zijn, nota bene in het stuk der dankbaarheid (Zondag 32-52).
In de reine spiegel van Gods deugden en rechten zien we meer en dieper wie een mens is en in zichzelf blijft. Die wordt niet geloviger en bekeerder, maar al minder. En dit onderwijsproces duurt tot de laatste snik. Ik word steeds minder en onwaardiger voor God. Dat zal de vrucht zijn van de scherpe wetsprediking. Dát is Gods uitdrukkelijke bedoeling.
Wanneer deze prediking gemist wordt, blijkt dat in de gevolgen. Dan worden we bezittende mensen, die worden geïrri- teerd door een scherpe wetsprediking, die gaan daar op neerzien, die zijn daar- mee wel klaar. Steeds meer zelfkennis blijkt echter uit de ootmoed en totale afhankelijkheid van Gods vrijmachtige genadebediening. Dáárom laat God ons de wet zo scherp prediken. Dat is Zijn eerste bedoeling. Getuigt uw hart en leven hiervan? Want dat blijkt uit de ver- dere vrucht, Gods tweede bedoeling.
Zoeken
We lezen in antwoord 115b: ‘… en des te begeriger zijn om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken’. Zo maakt de Heere zoekende mensen die het van zichzelf niet hebben en niet weten. Door deze zelfkennis houden ze steeds minder over. Het wordt niet beter, maar steeds minder. Waarnaar zoeken deze mensen dan volgens onze bevindelijke belijdenis? Ze zoeken naar wegneming van de zonden en naar de gerechtigheid van Christus. Ze blijven niet steken in de walging van zichzelf. De zelfverfoeiing leidt tot een steeds sterker verlangen naar deze beide wel- daden uit de Zaligmaker. De ontdekking aan de ‘zondige aard’ drijft uit. In de ont- dekking zelf ligt het leven niet. Zeker niet door dit te bespreken en voor mensen te etaleren. Alsof er als zodanig enige waardigheid of aangenaamheid in zou liggen. Zonder de Middelaar ís er geen leven. Het ‘van ganser harte aller zonde vijand zijn en een lust tot alle gerech- tigheid hebben’ (waarmee de uitleg van het tiende gebod besluit; antwoord 113), klinkt hier door.
De wetsprediking doet haar kracht. Van voor de spiegel van Gods deugden worden we afgesneden en uitgedreven naar de Wetsvolbrenger. Dan wordt er zo zielsinnig verlangd naar de HEERE onze Gerechtigheid, vol van genade en waarheid, in Zijn ambten, namen, staten, naturen en weldaden. Hij is zo gepast voor iedere wegstervende hongerige zondaar, waar die ook gelegerd is.
Blijkbaar komt men boven het steeds weer en steeds meer zoeken niet uit! Wanneer het ‘leren kennen’ (a) waar is, blijkt dat uit hartstochtelijk ‘zoeken’ (b). De Heilige Geest moet immers voort- durend plaatsmáken voor de Middelaar en Zijn dadelijke bediening. En dit blijkt volgens ons praktische troostboek in het dagelijkse leven, in het gebedsleven en in de binnenkamer. Want ontdekking leidt tot zoeken en zoeken blijkt in het gebed, waarover we verder in de Zon- dagen 45 tot 52 onderwijs krijgen. Want het gebod leidt, als het goed is, tot het aanhoudende gebed. Als de verhouding wet en Evangelie maar recht gepreekt wordt, als de wet naar Gods bedoeling maar scherp gepreekt wordt. Zo worden we geleid naar de binnenkamer, niet naar de werkkamer.
Ons benaarstigen en bidden
Inmiddels zijn we bij de derde van Gods bedoelingen, in antwoord 115c: ‘… opdat wij zonder ophouden ons benaarstigen en God bidden…’ De waarheid van het ‘leren kennen’ en van het ‘zoeken’ blijkt in twee opzichten, namelijk in het zich benaarsti- gen en in het bidden om de genade van de Heilige Geest. Beide met als doel om in dit leven meer naar Gods beeld vernieuwd te mogen worden en na dit leven te komen tot de volkomenheid, die God in Zijn wet ons voorstelt: volmaakte liefde en heilig- heid, zonder zonde, alleen gericht op Gods eer. Daarom wordt aanhoudend gebeden en zonder ophouden geworsteld, want het is een levensvoorwaarde.
De wetsprediking maakt dus worstelaars! Ze kunnen niet leven zonder de genade die ontdekt, verlicht, verzoent, vernieuwt. Ze kunnen niet leven zonder de genade die oefent in Godskennis, zelfkennis en Christuskennis. Deze genade is zuiver, onverdiend, eenzijdig en vrijmachtig, en ligt alleen verklaard in Immanuël.
Nu staat er nog een woord bij, iets wat we liever zouden overslaan: ‘… zonder ophouden ons benaarstigen’. Dit oude Nederlandse werkwoord ‘benaarstigen’ betekent: zich met ijver toeleggen op…, zich beijveren om... In de oorspronkelijke taal hangt dit woord samen met ‘vlijt’. We zijn terecht bang voor activisme en onze vaderen waren dat niet minder. Maar het is niet eerlijk om te doen alsof dit er niet bij staat. Onophoudelijk en met vlijt Gods aangezicht zoeken dus. Dit in dui- delijke tegenstelling tot een los, werelds leven, dat zichzelf ‘redt’ door beschouwing van de leer van vrije genade: een mens blijft maar een mens. Dan staat de wet- sprediking niet in hoog aanzien. Welnu, juist daarom zeggen we het ons troost- boek toch van harte na: ‘zonder ophouden ons benaarstigen en God bidden’.
Dan is er een ernst en teerheid in het gebedsleven en in de levenswandel waaruit dit ‘leren kennen en zoeken’ blijkt. Zelfs een ijver in het zoeken van Gods genadetroon, het zoeken van Gods gemeenschap in de Voorbidder. Waar anders heen, dan dáár alleen…
Daarom is de scherpe wetsprediking ook in deze tijd zo noodzakelijk. En daarom wordt deze prediking zelfs dierbaar. Het versterkt het verlangen naar heilig- heid, en naar ... de Thuiskomst!
115 Vr. Waarom laat ons dan God alzo scherpelijk de tien geboden prediken, zo ze toch niemand in dit leven houden kan?
Antw. Eerstelijk, opdat wij ons leven lang onzen zondigen aard hoe langer hoe meer leren kennen a, en des te begeriger zijn om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken b.
Daarna, opdat wij zonder ophouden ons benaarstigen, en God bidden om de genade des Heiligen Geestes, opdat wij hoe langer hoe meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd worden, totdat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken c.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 januari 2022
De Saambinder | 20 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 januari 2022
De Saambinder | 20 Pagina's