Leendert van der Valk (1838-1910) werd “visser van mensen”
Leendert van der Valk stamde uit een oud Westlands geslacht, dat vanaf de zestiende eeuw ook in Vlaardingen was vertegenwoordigd. Leden van dit geslacht zouden er de stoot tot de plaatselijke Kerkhervorming hebben gegeven.1 Eén van Leenderts voorouders, Huijch Claesz van der Valck, geboren in Monster-Ambacht, werd in 1655, nadat hij met Belijtge IJsbrantsd Rodenburgh getrouwd was, poorter van Vlaardingen. Hun kleinzoon Huygh Alewijnsz van der Valk, koos voor het zeemansleven. Ook diens zoon Alewijn Huygensz, overgrootvader van eerdergenoemde Leendert, oefende het beroep van zeeman uit, evenals grootvader Leendert van der Valk (1775-1852), die het tot stuurman en schipper bracht.2 Maar de vader van Leendert junior, Jacob van der Valk, bleef aan wal. Hij was aanvankelijk kantoorbediende en runde later aan de (nog niet gedempte) Waal een kuiperij, waar haringvaten werden gemaakt. Uit zijn huwelijk met Johanna de Ronde werd op 8 oktober 1838 zoon Leendert geboren, over wie dit verhaal gaat.
Zondagsschool
In de tijd dat Leendert in Vlaardingen opgroeide, werden in deze vissersplaats veel jongens van zijn leeftijd “reeds vroeg naar zee meegenomen, daar gehard tegen ongemakken en opgeleid tot varensgezellen.”3 Leenderts vader, die zelf geen zeeman geworden was, bestemde zijn zoon voor de handel. Er was echter een andere loopbaan voor hem weggelegd. Al van jongs af koesterde Leendert de wens, dominee te worden. Denkend aan de woorden van Jezus tot zijn eerste discipelen, “Ik zal u vissers van mensen maken”, voelde hij zich geroepen tot evangelieverkondiging. In 1850 begon hij op twaalfjarige leeftijd met het houden van een zondagsschool, de eerste in zijn geboortestad. De plaats van samenkomst was de kuiperij van zijn vader aan de Waal. Hoe serieus hij dit werk opvatte, blijkt wel uit een bewaard gebleven toespraak over “de grote dwaas”, gehouden op zondag 14 oktober 1852. Hierin behandelt de jonge evangelist de gelijkenis, verhaald in Lukas 12: 16-21, over een rijke man, die steeds meer schatten verzamelde. De toespraak is later door een zoon van Leendert van der Valk, dr. M.H.A. van der Valk, in twee gedeelten gepubliceerd in de Vlaardingsche Courant van 7 en 21 november 1925. Dr. Van der Valk, die destijds gedurende enkele maanden hoofdredacteur van dit blad was, tekende erbij aan dat deze parabel gewoonlijk de gelijkenis van “de rijke dwaas” wordt genoemd. Dat een knaap van nauwelijks veertien jaar spreekt van “de grote dwaas” -een veel betere aanduiding- vindt hij bijzonder opmerkelijk.4
In het begin van de jaren vijftig van de 19de eeuw was Leendert van der Valk ook betrokken bij het in Vlaardingen opgerichte Kinderzendingsgenootschap. Zulke genootschappen werden in die tijd in diverse plaatsen gesticht, nadat Th. M. Looman (1816-1900), de oprichter van de Vereeniging tot verbreiding der Waarheid, ertoe had opgeroepen. In Rotterdam kwam het op 4 oktober 1851 tot oprichting van zo’n kinderzendingsgenootschap. Het had ten doel, bij kinderen belangstelling in de zending te wekken en hen in de gelegenheid te stellen door een kleine contributie de zendingszaak te steunen. Kinderen van 9 tot16 jaar konden met toestemming van hun ouders lid van het genootschap worden.5 Het Rotterdamse voorbeeld vond in Vlaardingen navolging. Twee jongemannen, Am. van Dijk en Jan Kijne, en hun wat oudere vriend Frans Stam, staken hun licht op bij B.J. Gerretson6, hoofd van het Zendingshuis in Rotterdam. Het resultaat was dat weldra ook in Vlaardingen een kinderzendingsgenootschap werd gesticht. Wekelijks werd vergaderd met acht jeugdige collectanten, die waren uitgekozen om met hun zendingsbusjes rond te gaan bij de ouders van tot het genootschap toegetreden kinderen. Eén van deze collectanten was: Leendert van der Valk.7
Predikambt
Het zou nog tot 1864 duren, voordat Leenderts hartewens in vervulling zou gaan en hij als dominee het Evangelie mocht prediken. Een academische opleiding zat er voor hem niet in. Hij kwam echter in contact met ds. Jacob Binneweg, een hervormde predikant van gereformeerde overtuiging in Harderwijk. Van hem ontving hij de eerste vorming voor het predikambt. Na diens overlijden (januari 1862) studeerde hij onder leiding van de “kruisdominee” Reinder Veldman in ’s-Gravenhage. Leendert van der Valk had zich intussen aangesloten bij de Gereformeerde Kerk onder ’t kruis, een groep gemeenten, die zich had afgesplitst van de Christelijke Afgescheiden Gereformeerde Kerk. Ds. Veldman stuurde zijn leerling in het najaar van 1863 naar een pas door hem geïnstitueerde kruisgemeente in Rotterdam met de opdracht daar te oefenen en in de week catechisaties te houden. Van der Valk, die bijzondere gaven van spreken bleek te bezitten, voldeed zo goed, dat hij toen hij was afgestudeerd, meteen door de Rotterdamse gemeente werd beroepen. Nadat de algemene vergadering van de kruisgemeenten hem in juni 1864 had geëxamineerd volgens artikel 8 van de Dordtse kerkorde (singuliere gaven) en tot de evangeliebediening had toegelaten, deed hij op 4 september van dat jaar zijn intrede als predikant van de Rotterdamse kruisgemeente. Tijdens zijn ruim vijfjarig verblijf bracht hij de kleine gemeente tot grote geestelijke bloei. Hij verrichtte zijn werk met vuur en enthousiasme en wist zijn hoorders te boeien met zijn duidelijke en treffende uitleg van de Schriften.8
In de loop van 1869 aanvaardde ds. Van der Valk een beroep van de christelijke gereformeerde gemeente van Delft. Hij was er ruim 22 jaar met veel ijver werkzaam. Daarna diende hij gedurende meer dan 12 jaar, van juni 1892 tot november 1904, de gereformeerde kerk A in Scheveningen. De laatste jaren van zijn leven was hij predikant van de gereformeerde kerk van Oosterbeek. Hij overleed aldaar op 13 januari 1910.
Zorg voor zeelieden
Met het oog op zijn voorbereiding tot het predikambt kon Leendert van der Valk niet meer in Vlaardingen blijven wonen. Maar zijn leven lang bleef hij belangstelling tonen voor de ontwikkelingen in zijn geboortestad, zowel op maatschappelijk als op geestelijk gebied. Speciale interesse had hij voor het wel en wee van de vissersbevolking. Begrijpelijk is dat deze belangstelling vooral in zijn Scheveningse jaren aan de dag trad. In het bijzonder ging de zorg voor zeelieden die in het haringseizoen lange tijd van huis waren, hem ter harte. Zieke of gewonde vissers op Hollandse schepen waren vaak wekenlang verstoken van een behoorlijke medische verzorging, terwijl Engeland en Schotland voor hun vissers jaarlijks 14 hospitaal-kerkschepen naar zee zonden. Van der Valk bracht deze zaak in zijn kerkenraad ter sprake. Daarop werd contact gezocht met de gereformeerde kerken van diverse andere vissersplaatsen, de “zeekerken”, zoals ze genoemd werden. Het resultaat was dat er “deputaten voor een kerk- en hospitaalschip” werden aangewezen met ds. Van der Valk als voorzitter.
In 1897 nam hij ook het initiatief tot de geestelijke verzorging van de vele Nederlandse zeelieden die gedurende de eerste weken van het haringseizoen op de Shetlandeilanden vertoefden. Besloten werd dat een predikant de belangen van de Hollandse vissers in Lerwick, de hoofdplaats van de eilandengroep, zou behartigen. Van begin juni tot medio juli werd er namelijk gevist in de wateren van deze eilanden ten noorden van Schotland. De schepen liepen in het weekeinde de haven van Lerwick of die van Baltasound binnen, waar de vissers dan de zondagen doorbrachten.
Ds. Van der Valk reisde in 1897 voor het eerst naar Lerwick om te zien wat er voor de daar verblijvende Hollandse zeelieden kon worden gedaan. Hij kreeg alle medewerking van de plaatselijke Schotse kerk, die direct haar bedehuis beschikbaar stelde voor Nederlandse kerkdiensten. De vissers waren erg ingenomen met de activiteiten van de Scheveningse dominee. In 1898 maakte hij opnieuw een reis naar Lerwick. Kort voor het vertrek ontving hij van de koningin-regentes een gift van f 100 als bijdrage voor zijn werk onder de vissers. Ditmaal reisde ds. Van der Valk samen met zijn vrouw. Zij vertoefden ruim drie weken op de Shetlandeilanden. Zondags preekte Van der Valk in een kerkgebouw, dat plaats bood aan ongeveer 1000 personen. Soms waren er ook zoveel mensen onder zijn gehoor, aldus de predikant in een in druk verschenen reisverslag. De eerste dienst begon ’s ochtends om acht uur, de tweede om acht uur ’s avonds. In zijn prediking haakte Van der Valk in op het leven van alle dag. Zo koos hij bij ongunstige vangsten of andere teleurstellingen een toepasselijke tekst.
Volgens een Schotse predikant, die destijds met vakantie op de Shetlandeilanden vertoefde, was het gezang van de Hollandse vissers te vergelijken met het rumoer van de zee. De cadans leek sprekend op het gedruis van vele wateren, zo schreef hij in een Schots tijdschrift. Over Van der Valks prediking merkte hij het volgende op: ”Een grote mate van fysieke kracht werd ontwikkeld, maar alleen een welsprekend en belangstelling wekkend prediker kon het bestaan de aandacht van zo’n groot gehoor te boeien tijdens een preek die meer dan een uur duurde”.
Vier zondagen bracht ds. Van der Valk in 1898 in Lerwick door. In de week hield hij een Bijbellezing of leidde hij andere bijeenkomsten. Hij voerde vele gesprekken, bezocht de zieken en stond de vissers met raad en daad bij. Tijdens zijn verblijf werd een geïmproviseerd tehuis voor zeelieden gesticht. Verscheidene malen maakte hij de overtocht, de laatste keer in 1902, toen hij in Baltasound verbleef.
In november 1902 werd de vereniging “Bethsaïda” opgericht met als doel, predikanten uit te zenden naar Lerwick en andere havenplaatsen ten behoeve van de daar vertoevende zeelieden. Dit gebeurde in nauwe samenwerking met de gereformeerde (en later ook hervormde) zeekerken. Intussen was in 1898 in Amsterdam de “Nederlandse Vereniging ten behoeve van Zeelieden” gesticht, die in 1899 het eerste hospitaal-kerkschip “De Hoop” in de vaart bracht.
Van regeringswege kreeg ds. Van der Valk erkenning voor zijn arbeid onder de vissers, toen koningin Wilhelmina hem benoemde tot ridder in de orde van Oranje-Nassau.9
Het door deze predikant begonnen werk werd voortgezet. Tot omstreeks 1928 reisden gereformeerde of hervormde predikanten jaarlijks naar de Shetlandeilanden om er enkele weken onder de vissers werkzaam te zijn. Tegen het einde van de jaren twintig waren de bezoeken van Nederlandse vissersschepen echter zodanig verminderd, dat de Hollandse kerkdiensten in Lerwick werden gestaakt. Aan boord van “De Hoop” werden ze gecontinueerd.
Wij varend op de oceaan
Een lied voor de jaarwisseling
Wij varend op de oceaan
van tijd, een leven lang,
wij houden op Gods haven aan,
want wij zijn klein en bang:
het schip zo teer in wind en weer,
de golven hol en hoog, –
wij roepen: ‘Ach, verschijn ons Heer,
op de oever voor ons oog!’
Ontmoet ons waar wij hopen dat
Gij zult aan ’t water staan,
ons nodend in Gods veil’ge stad,
uit onze angst vandaan.
Een ogenblik, aan deze tijd
onthecht, bij U te zijn,
een ogenblik een eeuwigheid,
in Gods verstild domein!
Gij wilt niet, Heer, Gij duldt het niet
dat wij voor anker gaan.
De tijd voert naar een vaag verschiet
het schip van ons bestaan.
O, Gij die op de golven liep,
die redde door een woord
het angstig volk dat om U riep,
kom dan bij ons aan boord!
Noten
1 Dr. M.H.A. van der Valk schrijft dit in de Vlaardingsche Courant (uitg. A. van der Meijden) van 15 augustus 1925, maar vermeldt geen bron. Wellicht is het verhaal van geslacht op geslacht overgeleverd.
2 Deze gegevens zijn ontleend aan de Genealogische Databank Vlaardingen; www.genealogieonline.nl/genealogische-databank-vlaardingen/
3 Zie: M. den Admirant, Sociaal-historische schets van Vlaardingen (1814-1914) in: Zuid-Hollandse Studiën, deel IV (1954), p. 181, 214
4 Vlaardingsche Courant, 15 augustus, 7 en 21 november 1925.
5 Marjoke Rietveld -van Wingerden, Kinderen als medewerkers in de zending. De kortstondige bloei van de protestantse kinderzendingsgenootschappen in Nederland (1850-1870) in: Het zendingsbusje en de toverlantaarn: twee eeuwen zendingsliefde en zendingsorganisatie in Protestants Nederland, onder redactie van G.J. Schutte, J. Vree en G. de Graaf, Zoetermeer 2012, p. 113-127.
6 De koopman Bartholomeus Johannes Gerretson (1811-1900) stichtte op 16 november 1847 de eerste Rotterdamse zondagsschool. Zijn kleinzoon prof. dr. F.C. Gerretson (1884-1958) hield een eeuw later, 16 november 1947, een herdenkingsrede in de Koninginne- en in de Maranathakerk te Rotterdam. De tekst ervan is opgenomen in: C. Gerretson, Verzamelde Werken IV. p. 313-322.
7 C. Kijne, Het Réveil in Vlaardingen, IX, in: maandblad Kerk en Israël , 7 de jg. (1953), nr. 6. De auteur van dit artikel, Corstiaan Kijne (1875-1954), zoon van Jan Kijne (1829-1910), was werkzaam in het onderwijs te Vlaardingen, Zwolle en Amsterdam. Blijkens zijn mededelingen was Leendert van der Valk niet de oprichter van het kinderzendingsgenootschap, zoals ten onrechte wordt gesteld in het volgende bericht van 26 februari 1948: “Ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van het Vlaardingse Kinderzendingsgenootschap, dat werd opgericht door de toen 13-jarige Leendert van der Valk, houdt diens zoon Dr. M.H.A. van der Valk, predikant der Ned. Hervormde Gemeente te Rotterdam, in de Grote Kerk een herden-kingspredikatie”, vermeld in “Kroniek 1948 “ in: Historisch Jaarboek Vlaardingen 1999, p. 69.
8 Dr. F.L. Bos, Kruisdominees, figuren uit de Gereformeerde Kerk onder ’t kruis, Kampen 1953, p. 195, 196.
9 M. den Admirant, Ds. L. van der Valk en zijn werk onder de Shetland-vissers in: De Hoeksteen, 7 de jg (1978), nr. 2, p. 60-63.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 2022
Ecclesia | 8 Pagina's
