Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Echtscheidingspraktijk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Echtscheidingspraktijk

5 minuten leestijd Arcering uitzetten

Met belangstelling lazen wij de beide artikelen van dr. D.J. Steensma rondom echtscheiding, een aangelegen en gevoelig onderwerp. Wij waarderen de pastorale insteek van de auteur, tegelijkertijd roept deze ook enkele vragen op.

Dr. Steensma brengt twee gezaghebbende scholen voor het Oude Testament onder de aandacht: Sjammai en Hillel. In tegenstelling tot de laatste erkent Sjammai ‘maar’ één echtscheidingsgrond als legitiem: overspel. Christus volgt deze lijn in Mattheüs 5:32 en 19:3. Steensma wekt de indruk juist Hillel te volgen. Met een beroep op Gods barmhartigheid ziet hij ruimte ‘voor huwelijksbeëindiging bij ernstige verwaarlozing van de huwelijksbelofte’. Hier gaat hij een andere weg dan Christus. ‘Jezus profeteerde tegen een lichtvaardige scheidingspraktijk.’ Hij heeft – aldus Steensma – Mozes niet gecorrigeerd inzake de ‘noodvoorziening’ (scheidbrief). Maar dat doet Hij wel! De scheidbrief was een gevolg van de ‘hardheid van het hart’, kenmerkend voor de Mozaïsche bedeling (Deut.29:4). Dit kan toch niet richtinggevend zijn voor de gemeente van het nieuwe verbond?! Dat Christus terugwijst naar het begin, zoals door God bedoeld, laat onzes inziens geen ruimte meer voor de scheidbrief. Deze noodvoorziening hoort bij een fase in de heilsgeschiedenis die voorbij is.

Binnen het nieuwe verbond dat met Christus aangebroken is, is het uitgangspunt: ‘Wat God samengevoegd heeft, scheide de mens niet.’ (Matt.19:6b) Juist in het nieuwe verbond is sprake van harten die God gewillig dienen in liefde en trouw en waarbij Zijn heilzame wetten normgevend en richtingwijzend zijn (2 Kor.3:3). Dat Jezus’ discipelen verbijsterd zijn door Jezus’ uitleg van de Thora op ook dit punt, lijkt ons een duidelijk bewijs dat Hij niet de weg van de traditie ging, dus van wat in de loop der tijd gegroeid was als ‘gewoonterecht’. Het komt ons voor dat dr. Steensma om pastorale motieven ‘barmhartigheid’ meer gewicht toekent dan vanuit de Schrift verantwoord is. Hoe moeten we in dit verband teksten als 1 Petrus 3 in zijn betoog inpassen?

Niet overtuigend is ook (deel 2, p.11) het argument dat volharding in de zonde (breed opgevat) ‘een einde maakt aan de levensverbintenis, zoals God de band met Zijn volk verbrak na hardnekkigheid in het kwaad’. Maar die breuk was toch nooit definitief, maar als tucht bedoeld? Zelfs als die tuchtmaatregel zeventig jaar ballingschap betekent.

In 1 Korinthe 7:11 zou het niet om een algemene regel gaan, maar een specifieke situatie betreffen. Dat is zeer de vraag. Tot slot: de lijn van dr. Steensma is niet die van de Vroege Kerk. Deze stond juist bekend om de strenge scheidingsethiek waarbij hertrouw niet was toegestaan zolang de ex‑partner nog in leven was. Het concilie van Elvira (306) bepaalde dat vrouwen die hun man zonder reden verlieten en een ander trouwen, nooit meer het avondmaal konden ontvangen. Vrouwen die scheidden vanwege overspel van hun eerste man en opnieuw trouwden, konden het avondmaal pas weer ontvangen na de dood van hun eerste man.

De kerkvader Basilius van Caesarea (vierde eeuw) schrijft dat iemand die scheidt en een ander trouwt en terug wil keren tot de gemeenschap van de kerk, gedurende een jaar buiten de deur de diensten moest meemaken, twee jaar in het portaal, drie jaar onder de catechumenen en ten slotte gedurende een jaar bij de gemeente mocht staan, zonder echter deel te nemen aan het avondmaal. Dat betekent dus een zevenjarige boete, aleer de weg naar het avondmaal weer openlag.

De Vroege Kerk volgde Jezus en Paulus en stond daarom echtscheiding alleen toe op grond van de twee bekende uitzonderingsbepalingen: overspel en verlating omwille van het geloof. Hertrouw was alleen toegestaan als de ex‑partner overleden was. Eeuwenlang is deze lijn bepalend geweest. Pas vanaf de Reformatie wordt de echtscheidingspraktijk ruimer, met name bij Martin Bucer. Juist ook in onze tijd vol van huwelijksontwrichting moet de kerk oppassen niet barmhartiger te zijn dan God. Reformatie is terugkeren tot de Schrift, telkens weer. En daarvoor buigen.

Dr. M. Klaassen, Barneveld

Ds. J. Belder, Harskamp

Reactie

Van harte beaam ik dat we moeten buigen voor de Schrift. De vraag is echter of we altijd direct verstaan wat zij zegt. In mijn boek Echtscheiding. Een exegetisch-ethische evaluatie (2016) heb ik onderzoek gedaan naar haar spreken over huwelijksontbinding. Ik zou dr. Klaassen en ds. Belder willen aanraden dit boek te lezen. Daarin komt naar voren dat Sjammai niet alleen overspel als echtscheidingsgrond aanvaardde, maar ook de gronden die in Exodus 21:10‑11 worden genoemd. In dit boek komt eveneens naar voren dat ik Christus volg in Zijn afwijzing van de rechtspraktijk van de school van Hillel. Blijkbaar kwam dat niet voldoende in mijn artikelen naar voren, omdat dr. Klaassen en ds. Belder menen dat ik de indruk wek ‘juist Hillel te volgen’ (wat voor mij absoluut onbegrijpelijk is).

In Mattheüs 5 en 19 profeteert Jezus tegen de verwording van de scheidingspraktijk van Zijn dagen: mannen konden hun vrouw wegsturen ‘om willekeurig welke reden’. Jezus spreekt niet over wat algemeen in Zijn tijd – ook in de school van Sjammai – werd aanvaard, namelijk dat een huwelijk (echt) kon worden ontbonden na ernstige verwaarlozing. Dr. Klaassen en ds. Belder stellen dat de breuk tussen God en Zijn volk nooit definitief was. Inderdaad, ook niet na overspel (!) van Zijn volk. Dat is Gods verbondsgenade.

Tóch erkennen wij dat een huwelijk verbroken kan worden. Daarin verschillen we van Rome, die de onontbindbaarheid van een huwelijk tussen gedoopten leert, ook bij overspel. Een tendens die beweegt naar die gedachte, treffen we al in de Vroege Kerk aan. Dat komt omdat deze kerk de verbondenheid met haar Joodse wortels had verloren en zich sterk richtte op ascese. De achtergrond van Mattheüs 5 en 19 was haar niet (meer) bekend. Ze fixeerde zich op de letterlijke tekst – als een tekst uit een wetboek. Mijn artikelen en boek zeggen méér dan dat ik met een beroep op Gods barmhartigheid een ruimere scheidingspraktijk zou voorstaan. Ik pleit voor een teruggaan, níét naar de Vroege Kerk, maar naar de Schrift! Inderdaad: voor haar moeten we buigen.

Dr. D.J. Steensma, Veenwouden

Dit artikel werd u aangeboden door: de Gereformeerde Bond

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 2024

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Echtscheidingspraktijk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 2024

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's