De overheid en onze kerkendienst
Wat zal ik blij zijn als we weer naar de kerk mogen gaan. Hoewel we niet zo optimistisch zijn en we werkelijk geduld zullen moeten hebben, mogen we daar toch om bidden en ernaar uitzien? Mét Psalm 84.
Wie van overheid en onderdanen ziet Góds hand? Wie in kerk en samenleving belijdt Gods spreken? Wie, van hoog tot laag, buigt onder Gods slagen?
Het samenkomen als gemeente is in zijn wezen onvervangbaar! Hoe zeer we de hulpmiddelen ook waarderen, húlpmiddelen blijven het. Ik weet dat er in de gemeenten ook zo over gedacht wordt, onder ouderen en tot mijn blijdschap ook onder onze jongeren. Daarom hoop ik van ganser harte dat deze onvergetelijke tijd ons iets leren mag: leren waarderen, leren tot bekering, leren de grote waarde van Gods dag en Zijn dierbare inzettingen. O, dat we de genademiddelen toch meer zouden waarderen! Dat deze ‘lege’ weken zouden mogen dienen juist tot verstérking van de band met de gemeente. En dat er toch alstublieft niet een proces van gewenning, gemakzucht en verkeerde gewoontevorming op gang gebracht zou worden. Want dat zou ook kunnen. Niet alleen bij onze jongeren, ook bij ouderen! Het boze mensenhart en de tijdgeest maken ons daarvoor vatbaar. Mag ik deze zorg uitspreken en met u delen? Om die zorg samen voor Gods aangezicht te dragen. ‘Versterkt U, Heere, de goede onderlinge band, en verhindert U de dreigende vervreemding’.
Dertig en honderd
Misschien mogen we stap voor stap naar dertig personen en dan - weer na weken? - naar honderd. En daarna? En hoe moeten we dit dan organiseren? Hoe moet het met het zingen? Hoe moet het met de ongedoopte kinderen? Hoe moet het met de avondmaalsbediening? En zo zijn er nog heel veel onbeantwoorde vragen. Met u als verstrooide schapen zou ik Psalm 74 wel willen zingen en bidden: ‘Herdenk de trouw aan ons voorheen betoond... Uw heiligdom verdorven en vertreden... Ter plaatse van het gebed... geen sterveling weet hoelang dit duren zal... Ach, waarom trekt Gij Uw hand dus van ons af, Uw rechterhand die ons tot steun kan strekken? Ai, wil haar eens uit Uwen boezem trekken; en maak een eind aan Uw gestrenge straf. Gij evenwel, Gij blijft Dezelfde, o HEER’! Gij zijt vanouds mijn Toeverlaat, mijn Koning, Die uitkomst gaaft...’
De heilige kerkendienst
U merkt dat het me niet gaat over verruiming voor de horeca, de opening van sportscholen en de verruiming voor vechtsporten. Ik heb het over de middelen tot welzijn van onze ziel! ! Over de zielszorg, in brede en diepe zin van het woord. In de eenheid van lichaam en ziel mogen we dat vooral niet vergeten. Dat zouden we zo graag merken aan onze overheden. Ze zijn toch ‘ons ten goede’? (Rom. 13:1-7). Dit gaat toch dieper dan sport en spel? Dat laat zich niet afdoen met: ‘Laat de kerk het Woord verspreiden en niet het virus’.
Waarom mogen hijgende sportmensen op meer empathie rekenen dan zingende kerkmensen?
In het licht van artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis spreken we onze overheden aan op de geestelijk dimensie van haar taak. ‘Om de hand te houden aan de heilige kerkendienst’, beseffend welke grote waarde die heeft. Werkelijk voor ieder mens! ‘Om het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen en het woord des Evangelies overal te doen prediken’. We mogen al onze overheidspersonen vanuit de Heilige Schrift hiertoe toch wel hartelijk oproepen? Opdat het merkbaar zal zijn dat het niet slechts gaat om de ‘belangen’ van een bepaalde groep in de samenleving, maar om de eer en de (ver) ordeningen van de allerhoogste Majesteit, waarvan zelfs Nebukadnézar moest getuigen: ‘Hoe groot zijn Zijn tekenen, en hoe machtig Zijn wonderen! Zijn Rijk is een eeuwig Rijk en Zijn heerschappij is van geslacht tot geslacht (Dan. 4:3). Al zijn werken zijn waarheid en al Zijn paden zijn gerichten (vers 37).
In ongeveer 600 voor Christus werd dit door een heiden beleden. Een overheidspersoon, die niet ongewaarschuwd zijn weg ging. Een supermens in eigen oog, die tot een beestmens werd. Die er pijnlijk achter gebracht werd dat hij slechts ‘bij de gratie Gods’ regeerde. De Godsregering in het voortwentelen van de eeuwen. De Godsregering in de wisselende tonelen. Zelfs door diepe crises, rampen en oordelen heen.
Gods hand
Wie van overheid en onderdanen ziet Góds hand? Wie in kerk en samenleving belijdt Gods spreken? Wie, van hoog tot laag, buigt onder Gods slagen? Ons is het gebed voor onze overheden opgedragen. Daarom doen we dat ook van ganser harte. Maar dan wel in déze zin. Terwijl de RD-journalist een vraag over de kerkendienst aan het formuleren is, schudt onze minister-president helaas al beslist het hoofd. Waarom wordt toch niet meer merkbaar dat het gemis van samenkomen wéégt? Waarom niet meer een meevoelen en meedenken in omstandigheden die eigenlijk zo niet kunnen en mogen voortduren voor het kerk-zijn, in deze tijd?
Deze nood is niet minder groot dan die van onze economie. Vandaar de hartelijke oproep: om merkbaar ‘de heilige kerkendienst’ te (helpen) bevorderen! Tot bevordering van het Rijk van Christus. En daarmee tot wezenlijke troost in leven en sterven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 2020
De Saambinder | 24 Pagina's
