Een goede rede
De dichter van Psalm 45 schrijft over zijn hart. Hij bedoelt daarmee de meest verborgen plaats van ons leven.
Mijn hart geeft een goede rede op; ik zeg mijn gedichten uit van een Koning; mijn tong is een pen eens vaardigen schrijvers. Psalm 45:2
In Psalm 51 spreekt David van ‘het binnenste’, waar de Heere hem wijsheid had bekendgemaakt. De Heilige Geest wilde in die vuile bron van wanbedrijven intrek nemen om Zijn zalig- makend werk daar te beginnen en voort te zetten door wijsheid bekend te maken. Daar spreekt nu ook de dichter van Psalm 45 van: mijn hart!
Hoe is het met óns hart? De Heere ziet naar waarheid in ons binnenste. Daarom is een nauw onderzoek van ons hart zo nodig. Deze dichter mag getuigen van zijn hart ‘dat het een goede rede opgeeft’. Bij ‘opgeven’ staat letterlijk: opbobbelen. Onze kantteke- ning wijst op het beeld van een ketel of een braadpan, waaronder het vuur brandt, zodat de inhoud van die ketel of braadpan gaat opborrelen. En nu heeft de Heilige Geest door Zijn heilig vuur ‘een goede rede’ doen opborrelen in het hart van de dichter. Dat bete- kent: een goede zaak, iets schoons, iets voortreffelijks.
Dat is toch wel een wonder! Want van nature borrelt er niets goeds uit ons hart op. De Heere Jezus Zelf heeft getuigd dat uit het hart van een mens boze bedenkingen, doodslagen, over- spelen, hoererijen, dieverijen, valse getuigenissen, lasteringen voortkomen. Als de Heilige Geest ons overtuigt van onze zonden en schuld, dan wordt dát toch onze grootste droefheid: dat we niet alleen zonden doen, maar ook tot in het diepst van ons hart zonde zijn. Zie, dat heeft deze dichter ongetwijfeld ook geleerd! Want wanneer openbaart de Heilige Geest ‘een goede rede’ in het hart van een mens? Als wij voor God onvoor- waardelijk leren buigen en een welgevallen krijgen aan de straffen van onze ongerech- tigheid. Dan leren we voor het eerst God in Zijn recht toevallen. En dat is nu juist de plaats waar dit wonder zich openbaart in het binnenste van het hart.
Mogen buigen
Zijn wij zo zondaar voor God geworden? Wat is het toch een eeuwig wonder als we als een verbrijzelde van hart onder Gods rechtvaardig oordeel mogen buigen. Daar wil de Koning Zich openbaren in al Zijn schoonheid. Zie, dát gaf in het binnenste van deze dichter nu zulke heilige overden- kingen. Hij getuigt: ‘Ik zeg mijn gedichten uit van een Koning’. Zo heel terecht is hier het woord ‘Koning’ met een hoofdletter geschreven! Het gaat hier immers over Christus.
Is het u weleens opgevallen dat de dich- ter in dit tweede vers nog spreekt van ‘ik’ en ‘mijn’, maar in de volgende vijftien verzen over zichzelf niet meer spreekt? Hij moest geheel verdwijnen, opdat deze Koning geheel zou verschijnen! En dat is nu ook telkens weer zo nodig in het leven van Gods kinderen.
Wat betekent het nu dat de dichter ‘zijn gedichten uitspreekt van een Koning’? Dan wijzen we u op de bruid, die in Hooglied 5 hetzelfde mocht doen. In dat hoofdstuk lezen we hoe de dochters van Jeruzalem aan de bruid de vraag stellen: ‘Wat is uw Liefste meer dan een andere liefste?’ Dan wordt de mond van de bruid in al haar gemis als het ware opengebro- ken en mag ze doen wat hier de dichter ook doet: gedichten uitspreken van de Koning. Ze mag Hem tekenen van Zijn hoofd tot Zijn voeten in al Zijn Midde- laarsheerlijkheid en uiteindelijk moet ze van Hem getuigen: ‘En al wat aan Hem is, is gans begeerlijk’. Maar niet alleen van Zijn Persoon mag de dichter gedichten uitspreken. Ook van Zijn werk! Deze Koning heeft Zijn hemelse troon verlaten om in Zijn menselijke natuur op aarde te verkeren. In Zijn diepe vernedering is Hij gekomen om aan het Goddelijk recht volkomen te voldoen. Hij werd als een lam ter slachting geleid. Met het natuurlijk oog was er geen schoonheid aan Hem, dat wij Hem zouden begeerd hebben. Maar waar nu een natuurlijk mens geen schoonheid ziet, daar ziet een geestelijk mens dat door genade wel.
Zou het voor een doodschuldige zon- daar geen wonder zijn als het oog geopend wordt voor dit Lam? Dan mag de ziel waarde zien in Zijn lijdensgangen. Dan wordt Zijn bloed zo dierbaar en gepast voor hun schuldige ziel. Dan wordt het offer dat Hij bracht zo noodzake- lijk voor hun vloekwaardige bestaan. Dan wordt dit Lam zo beminnelijk in Zijn sterven.
Trappen van verhoging
Maar wordt deze Koning ook niet uitnemend schoon in de trappen van Zijn verho- ging? Hij is in de dood niet gebleven, maar opgestaan tot rechtvaardigmaking van al de Zijnen. En als Gods arme volk eens wordt ingeleid in Zijn hemelvaart en in Zijn hogepriesterlijk werk aan de rechterhand van Zijn Vader, zou dan hun ziel niet weg- zinken in verwondering?
Deze dichter heeft een tong gekregen om Zijn uitnemendheid uit te spreken, zoals een vaardige schrijver een pen hanteert in zijn schrijven. Het beeld dat de dichter hier gebruikt, is het beeld van een schrijver, die eigenlijk niet hoeft na te denken over wat hij opschrijft. Hij is vaardig, dat wil zeggen: bekwaam, snel en geoefend in het schrijven. Zo mag de dichter zichzelf waar- nemen: de Heilige Geest geeft het hem in zijn mond en hij hoeft het alleen maar na te spreken. Denkt u maar aan die kreupele man bij de tempel, die door God werd opgezocht. De Naam van Jezus Christus werd hem door genade geopenbaard in zijn diepe ellende. Door een wonder werd hij naar het lichaam genezen, maar bovenal werd zijn hart bereid om God te loven.
Geliefde lezer, hoe is het nu met óns hart en met ónze tong? Van nature komt er enkel zonde uit ons hart en is onze tong een rad van de hel ontstoken. Is het ons tot smart? En heeft de Heilige Geest dat heilige vuur in het hart ontstoken om door genade gedichten uit te spreken van deze Koning?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juni 2022
De Saambinder | 16 Pagina's
