Hard werken
Vooropgesteld, het gaat in dit verhaal uitsluitend over Hchamelijke arbeid, hoewel men daar evenzo goed het hoofd bij nodig had of heeft. Hard werken, wat is dat voor term? Ieder van ons zal daar zijn of haar eigen norm voor hebben maar als het gesprek tegenwoordig over werken gaat, hoort men vooral door ouderen steevast zeggen: "er wordt nu niet meer zo hard gewerkt dan vroeger." Is dat werkelijk zo?
In de eerste plaats moest men langere werkdagen maken en een dag meer per week op het werk verschijnen, perioden met werkloosheid niet meegerekend. Aan het eind van de werkweek ging men 's zaterdagsmiddags slechts een uur vroeger naar huis. Pas in 1946 kreeg men hier in de landbouw de vrije zaterdagmiddag. In andere bedrijfstakken was die al ingevoerd.
Een boerenknecht, dus een werknemer, zei toen tegen mij: "dat kan nooit bestaan, hoe moet het hooi dan binnengehaald worden", zo vroeg hij zich bezorgd af. Goede gedachten in het belang van het bedrijf. Maar de ontwikkeling op het gebied van arbeidsvoorwaarden viel achteraf bezien niet meer te stuiten. Ook de invoering van vakantiedagen wordt in die tijd voor allerlei beroepen een groot goed. Dat alles werd mogelijk gemaakt door de razendsnel verlopen technische ontwikkeling en een grotere mondigheid van de arbeiders.
Hard werken
Toch nog even over deze term. Ezelen kan men ook zeggen. Aangezien een ezel, ook al kent hij al twee letters van het alfabet, voor dom wordt gehouden, wordt het werken door veel mensen als een domme bezigheid beschouwd. Werken is voor de dommen, basta. Men maakt er ook grapjes over, zo van - in werk gaat al mijn vrije tijd zitten. Spottenderwijs zijn er ook mensen geweest die het werk gingen 'begraven'. Daar ken ik twee verhalen over, één uit Dirksland en één uit Middelharnis, maar deze verhalen passeren de grens van het oorbare. Alles wat hoorbaar is, is daarom nog niet oorbaar, en ik zal het daarom alleen bij deze constatering laten. Al is werk daar voor dommen bestemd, er is altijd werk aan de winkel, want zonder moeite heeft men niets. Was het dan zo dom dat de vrouwen 's maandags in alle vroegte de grote was moesten doen? Nee, dat was niet dom maar bittere noodzaak. De wasvrouwen moesten zelf de was in de week zetten, zelf voor heef water zorgen, zelf met de houten stamper het vuile goed in een dampende stampton te lijf gaan en ze moesten zelf met een harde borstel de kledingstukken op een wasplankje één voor één met groene zeep behandelen. Dat alles in gebukte houding in een tijd dat er geen wasmachines en aanvullende gemakstoestellen als een wasdroger bestonden. Daar kwam nog bij dat een heleboel vrouwen voor een flinke berg met wasgoed werden geplaatst als gevolg van het hoog gemiddeld aantal kinderen per gezin dat tegenwoordig aanzienlijk lager ligt! Als deze vorm van wassen geen hard werken was, nou, dan weet ik het niet meer.
Zes uur in de morgen beginnen op het land in het diepe najaar zonder dag- of maanUcht. Met de hand zoeken naar het loof van de suikerbiet en de wortel daarvan met een spade uit de grond tillen. De hele dag krom staan en maar sjouwen, pee voor pee. Eigenlijk zouden er op Goeree-Overflakkee meer mensen moeten zijn met de naam Peeman... Na een hele dag delven, met wat tussenpozen om te eten, en even uit te rusten en de rug te strekken, ging men moe en hongerig om half vijf in de vooravond naar huis. Een tijdstip waarop honderdduizenden spreeuwen hun slaapplaatsen gingen opzoeken. Of een hele dag zakken gevuld met aardap
Of een hele dag zakken gevuld met aardappelen, uien of winterpeen op de rug dragen in de landbouwloodsen op de Kaai, was dat geen werken? Of om nog een voorbeeld te geven, met gekromde rug met de hand het vlas uit de aarde trekken met nat weer in de zware grond van een of andere polder? Al naar gelang van het seizoen werden al deze werkzaamheden gedaan. En wat verder van huis gerekend, wat dacht u van het handwerk in de kolenmijnen? Zo zijn er nog tal van voorbeelden te geven over hard werken.
Niets doen
In elke gemeenschap treft men echter ook mensen aan die, al zijn ze kerngezond, met het werk niets op hebben. Van zulke mensen wordt gezegd "dat ze de kantjes eraf lopen." In de enige jaren geleden nog verplichte militaire dienst sprak men van drukken; zich onttrekken aan hun plicht. Sommige maakten daar een sport van. Maar ene Piet maakte het in het begin van de vorige eeuw in de burgermaatschappij van Sommelsdijk wel heel erg bont. Mijn vader heeft thuis veel over hem verteld. Piet, die namurlijk ook een achternaam had, was in feite een aartsluiaard. Hij leefde met zijn moeder onder nogal armoedige omstandigheden waarin zonder aan te pakken nooit enige verandering zou komen. Wel was Piet, gerekend naar de tijd waarin hij leefde, beslist niet dom en vele van zijn uitspraken werden in de gemeenschap nogal eens aangehaald. Eén ervan was voor een lui mens een hele goede;
Staen is goed Zitte is beter Mar laage is 't beste
Misschien hing deze uitspraak wel in de bedstee waarin Piet waarschijnlijk zal hebben geslapen. "Als Piet werk had, had iedereen werk", zei mijn vader eens. Piet besteedde veel tijd aan lezen, iets waaraan de werkers, voor zover zij toen konden lezen, tijdens de lange werkdagen niet of nauwelijks toe konden komen. Zodoende had hij wat parate kennis betreft een niet geringe voorsprong op zijn collega-landarbeiders. Vele mensen trokken zijn wijsheden in twijfel, vooral toen hij zei dat in Amerika een machine was uitgevonden die de tarwe in combinatie kon maaien en dorsen en waaruit aan de achterkant de gebakken broodjes tevoorschijn kwamen. Men stond toen hier nog aan de sikkel en de vlegel!
Die machine had betrekking op de combine in spe die wij intussen ook op Flakkee gewoon zijn gaan vinden. Alleen wat die broodjes betreft moeten wij wel enig voorbehoud maken, maar... enige jaren geleden werd hier toch op de graanakkers tarwe gedorst en direct daarna tot meel gemalen! "Piet, ik heb werk voor je gevonden", zei zijn moeder op een goede dag. "En wat voor werk dan wel", informeerde Piet met een negatief khnkende ondertoon in zijn stem. "Ie moet morgen met een kruiwagen met een reiziger mee op pad. Op de kruiwagen komen een paar pakken ellegoed te hggen en nog wat lakenstof. Dat goed en die stof probeert hij langs de deur te verkopen", antwoordde zijn moeder op verklarende wijze. Zij hoopte vurig dat haar zoon nu eindehjk eens wat zou gaan verdienen. Maar Piet nam een afwerende houding aan en vroeg aan zijn moeder of zij wel een kruiwagen had. "Ja", luidde het antwoord, "die mag je lenen van de overbuurman." "En heb je dan ook een helmzeel", vroeg Piet langs zijn neus weg. Een hehnzeel is een draagriem die om de schouders werd gedaan en die aan beide hurries van de kruiwagen bevestigd werd, zodat de druk van de last beter over het lichaam werd verdeeld. "Een helmzeel, ja, daar heb ik ook al voor gezorgd", was het korte antwoord. "Maar heb je dan ook een kruier?" vroeg Piet tenslotte.
Piet ging de volgende dag dus niet met de reiziger mee. Zijn langste reis was lopen naar de Hooidijk waar hij zich in het malse gras neervleide. Vanaf die plaats kon hij de ijverige mensen op de akkers aan de slag zien. Hij werd er geenszins door geïnspireerd. Het is ook voorgekomen dat Piet een week lang aardappelen zou gaan delven. Elke morgen vertrok hij met een goed gevulde stikzak naar de polder, zocht een goed plekje op om te kunnen rusten en 's avonds keerde hij op tijd terug naar huis. Zijn moeder was reuze blij en deed elke dag wat extra's tussen zijn boterhammen, 's Zaterdagsavonds was het gebruikelijk dat de arbeiders bij hun baas of bij hun voorman om hun loon gingen. Die zaterdagavond bleef Piet maar in huis hangen en maakte geen aanstalten om zijn loon te gaan halen. Toen dit wat al te lang ging duren vroeg zijn moeder: "Piet, mot joe noe niet om je caanten gaen?" Droogjes antwoordde hij zijn moeder met een wedervraag: "Bie wie dan?" Arjaan, een andere man in Sommelsdijk was ook niet van de vlugste. Hij had een vergoelijkende stelregel en zei eens in een gesprek dat over 'werken' ging, dat hij eigenlijk te licht was voor het zware werk en te zwaar voor het lichte werk. Lachend voegde hij er aan toe, dat een kachelhoutje van het liggen nooit zou breken...
Hard werken
De heb nog een aantal voorbeelden, en welke dan wel?! Het zwaarste werk dat ooit door mensen werd verricht was ongetwijfeld het laden en lossen van schepen. Op de Kaai van elk dorp op ons eiland heerste meestal een drukte van belang. Slechts in de voorzomer was de algemene drukte wat minder. De oude voorraden aan landbouwproducten zoals aardappelen, winterwortelen en uien, maar ook granen, peulvruchten en zaden waren in dat tijdvak reeds afgevoerd en het eerste product dat voor vervoer per schip het nieuwe seizoen inluidde was vlas. Maar helemaal stil was het op de Kaai eigenlijk nooit. Dan weer kwam er een schip geladen met steen afkomstig uit de steenbakkerijen langs de rivieren, dan weer arriveerde een schip geladen met zand of grind, een product dat uit en bij de rivieren zelf gewonnen was. Of er volgde 'een schuute' dat geladen was met eierkolen. Al die schepen moesten worden gelost. De geladen producten lagen los in de ruimen. Er werd toen geen gebruik gemaakt van pallets en containers. Direct nadat de schipper zijn vaartuig langs
Direct nadat de schipper zijn vaartuig langs de kademuur had vastgelegd ging hij op zoek naar mensen die als 'kaoigasten' of transportarbeiders in het dorp bekend stonden. Dat waren zeer sterke mannen die het ruwe en zware werk aannamen en ten uitvoer brachten. Het lossen van eierkolen deed men bij voorkeur in uren als de zon niet scheen. Want dat men zwart werd van koolstof dat zich bovendien in de ooghoeken van de arbeiders ophoopte, was nog niet eens het ergste, nee, wat erger was waren de zoimestralen die op het zwart bestofte lichaam onbarmhartig konden neerdalen. Verbranding van de huid was daarvan het gevolg. Van tevoren wreven de kolenlossers met talkpoeder hun gezichten wit om zonverbranding en de inwerking van de koolstof zoveel mogelijk tegen te gaan. Zo nu en dan kwam er ook een schip aan met gaskolen voor de gasfabriek in Middelharnis. Het schip bleef aan de achterkant van de fabriek in de haven van Sommelsdijk liggen. Het lossen van gaskolen was een heidens karwei. Dat kwam omdat de steenkool ongeUjkmatig van vorm was, dit in tegenstelUng tot de eierkolen die bij de mijnen kunstmatig in de vorm van een kippenei geperst waren. Een mud eierkolen woog 75 kg maar een zak gaskolen woog 75 tot 80 kg. Die harde stukken kolen, ook wel stukkolen genoemd, waren een kwelhng voor de rug van de lossers. Hun ruggen raakten verwond. Men noemde dat doordragen waar op zijn minst zalf aan te pas moest komen. Met verbetenheid werd het werk uitgevoerd en als het schip na een paar dagen leeg gedragen was moest men zich in plaats van in een badkamer met gouden kranen, in een zinken teil wassen. Zand en grind werd ook uit de schepen
Zand en grind werd ook uit de schepen gedragen. Deze natuuiproducten werden aan boord niet in zakken geschept maar in manden. In een grindmand kon 55 tot 60 kg zand of grind worden geschept. Grind was vrijwel altijd nat zodat de kapzak van de dragers en het meestal rafelige overhemd met daaronder het hemd zo nat werden als wat. Zand en grind werden of op boerenwagens geladen of in de grote grindbak op de Kaai gestort. Met de boerenwagens werd grind naar de aannemers in het dorp gebracht of naar de tahijke grindbakken langs de polderwegen voor verharding van het wegdek. De polderwerkers zorgden op hun beurt dat dit materiaal over de wegen verspreid werd. Soms was de grindbak op de Kaai helemaal leeg. Dan werd er wel een partij uien in zakken of balen neergezet. Meestal kon een diep geladen schip slechts met grote moeite door de haven van Sommelsdijk komen. Vooral als het met bouwmaterialen zoals zand, grind en steen tot over de ijkstreep geladen was!
Steen werd met de hand gelost. Zes stuks in een greep die men steeds in eikaars handen overgaf. Wanneer de steen bij de fabriek te heet geladen was zaten ze erg vast. Dan was het 'pakken' veel moeilijker. De rode steen zat wat minder vast dan de witte. Met het lossen van steen kon men in de jaren twintig en dertig zo'n f 3,- tot f 4,- per dag verdienen. De aangevoerde steen werd geladen op boerenwagens zonder zijladders. Die waren er afgehaald wat het laden en lossen vergemakkelijkte. Maimen met zeer eeltige handen verloren tijdens het lossen van de harde en zandige stenen toch nog stukjes vel en dat was pijnlijk.
Uit de mond van Job Troost uit Sommelsdijk, geboren in 1915 en overleden in 1997 tekende ik het volgende verhaal op. Job was een zoon van Willem Troost en Wilhelmina Bom. Deze in leven zeer sterke man maakte als 16-jarige zijn debuut als transportarbeider! Zijn vader moest op een dag verstek laten gaan en Job bood zich als plaatsvervanger aan. Hij hep in de vroege ochtend naar de Kaai en sloot zich aan bij een groepje Kaoigasten onder wie Arie Hoogzand (mijn vader) en Beschier van der Slik met nog zes anderen, van wie hij de namen niet meer wist. Het 116 ton metende schip genaamd Neeltje van Jacobus Ghijsels uit Stad aan 't Haringvliet lag daar vol geladen met eierkolen, bestemd voor Izakje Grootenboer die kolenboer was aan de Oostelijke Achterweg van Sommelsdijk. Men begon te werken op een tijdstip dat minstens 95% van de bevolking nog in diepe slaap verzonken lag. Twee man schepten de kolen op in een zak die, wanneer die vol was, door de ophouder werd weggedragen. Er waren drie dragers. Een man laadde de zakken op de wagen die op het kolenerf van Izakje werden gelost. Dat alles ging in een moordend tempo. De eerste dag was er al 70 ton gelost.
Tegels
Job was ook een van de lossers van trottoirtegels die bestemd waren voor de aanleg van het fietspad langs de Provinciale weg van Sommelsdijk naar Dirksland. De tegels hadden het formaat 30 bij 30 cm en werden per schip aangevoerd. Twee man moesten de tegels uh het ruim 'rapen'. Zij gaven de platte, harde tegels, gemaakt van cement, over aan de andere lossers van wie er één in het gangboord stond. Als laatste man was de lader aan de beurt die elke tegel vlug en handig in rechtopstaande stapels op de wagen laadde. Hun vingertoppen leken wel rauw vlees en vooral 's ochtends moesten zij wel even de tanden op elkaar zetten. Letterlijk werd het bloed van onder hun nagels gehaald. Waar lag voor hen de pijngrens? Dat fietspad is in 1934 betegeld en drie jaar geleden zijn ze met een dikke, zwarte brij voorgoed aan het oog onttrokken.
Kunstmest lossen
Twee jaar later, Job moest nog achttien jaar worden, ging hij kunstmest lossen in de loods van Kooman, staande aan de West Havendijk langs de haven van Middelhamis. Daar lag een schip van 200 ton met superfosfaat. Het fosfaat was reeds gebaald dus er lagen 2000 balen van 100 kg in het ruim. Begin daar maar eens aan met je krooitje! Ook hier was mijn vader aanwezig die Job nog even voordeed hoe je met zo'n baal van 100 kg op de rug het beste de trap op kon klimmen. Techniek komt immers overal om de hoek kijken. Eén van de kunstmestlossers schamperde: "Wat gaan we nu doen? Kunstmest lossen met kinders" waarbij hij overduidelijk doelde op de jonge Job. Maar het schip kwam leeg!
Enige jaren later speelde het volgende zich af. Ditmaal betrof het een schip van zo'n 300 ton dat geladen was met losse kali. Deze kali moest gelost worden in de loods van Centraal Bureau, ook langs de MiddeUiamisse haven. De werkploeg bestond toen uit Arie den Boer, Arie Hoogzand, Piet Jordaan, Beschier van der Slik en Job Troost. Op het eind van de dag klaagde er één van hen dat hij steeds moeilijker ging lopen. Job hoorde de klacht aan en verhoogde het looptempo dat toch al niet gering was! Eén van de anderen reageerde daarop: "Mot joe 't zaekje naer 't ziekenhuus loape?!" Degene die dat zei was nu precies de man die eerder met het lossen van fosfaat had gezegd met kinderen te moeten werken... Job herinnerde zich ook nog een schip van 350 ton dat met zwavelzure ammoniak in de haven van Middelharnis was gearriveerd. De ammoniakmeststof moest worden gelost en weer was hij met mijn vader erbij. Het was in die dagen heet weer! Schep de groenstreepzakken maar vol, honderd kilo in een zak. De volle zak moest met de hand worden dichtgenaaid wat mijn vader werd opgedragen. Hoe ging dat lossen? Eerst werd er een gedeelte van de bovenlaag weggeschept, al dieper en dieper, totdat men op de bodem van het vaartuig was gekomen. Het scheppen ging dan wat gemakkelijker. Maar eer er met zo'n man of vijf, zes zo'n schip gelost was, waren er geen zweetdruppels gevallen, maar liep het zweet in straaltjes langs hun lichaam. En dan met zeer warm weer een baal van honderd kilo uit de bodem van het schip over verschillende trappen naar boven klimmen om de baal in de nok van de loods te deponeren, verklaart veel. Dit werk kon alleen door de allersterksten uit de gemeenschap worden gedaan.
Duizend ton
Job vertelde me dat hij de naam van het schip nog wist: Bade Bare, een Duitse rijnaak geladen met kahzout. Een schip van 1000 ton groot dat ongetwijfeld met de grootste moeite op het havenhoofd van Middelhamis zal zijn geschut. Dat kon alleen maar met een gelijke stand van het binnenen buitenwater, en zo moet het ook gebeurd zijn. Het aantal lossers was toen vijftien man stérk! Hier volgt het ererijtje:
1. Huib de Blok uit Middelhamis 2. Beschier van der Slik uit Middelhamis 3. Jaop van Antwerpen uit Sommelsdijk 4. Job van Dam uit Sommelsdijk 5. Leen Fun uit Sommelsdijk 6 . Arie Hoogzand uit Sommelsdijk 7. Bram Knape uit Sommelsdijk 8. Job Troost uit Sommelsdijk 9. Klaas Vroegindeweij uit Sommelsdijk 10. Bas Bette uit Dhksland 11. Jan Groenendijk uit Dirksland 12. Phhp StoLk uit Dhksland 13. Koos Zout uit Dirksland 14. Han den Ouden uit Nieuwe Tonge 15. Piet van Wenen uit Nieuwe Tonge
De kali moest in het houten gedeelte van de loods van Kooman worden gestort. De ploeg werd verdeeld in vier scheppers en de rest in dragers. Het was in de maand juli van 1936 of 1937. Zij moesten gebruik maken van een stevige houten trap met twintig treden die in de kop van het schip was geplaatst. Zeven uur in de morgen op een maandag begonnen zij. Van negen tot half tien was het etenstijd, evenals van twaalf tot één uur. Om half vijf nokten zij af. Het was beulswerk. Zodra zij een poos hadden gewerkt waren hun boezeroens en hemden doornat! De één na de ander trok zijn boezeroen uit, spoelde dat in water van de haven en liet het in de zomerwarmte drogen. Als het droog was trokken ze hun hemd uit en het spoelen en drogen begon opnieuw. Daarna trokken zij het droge boezeroen aan. Dat soort verschoning herhaalde zich talrijke keren, want de Bade Bare was nog lang niet leeg. Daar ging twee weken mee heen. Twee weken, elk van zes lange werkdagen, maar de laatste zaterdag was de grote aak om half elf leeg gedragen. Er ging geen gejuich op en de dorpsharmonie speelde geen triomifmars... De mannen gingen naar huis met f 37,- verdiensten in de eerste en f 38,- in de tweede week.
Als kind heb ik deze mannen kolen, zand, grind, gaskolen, steen en kunstmest zien lossen en suikerbieten zien laden. Meestal moest ik voor schooltijd "een bakje gaen brienge" of de stikzak die nog niet eens goed gevuld was voor zulk een zwaar werk. En als vader zich na het lossen van kolen met róódomrande ogen aan tafel zat, kwam er soms alweer een schipper op bezoek met de vraag: "Aoi, kan je mit een man of wat mun schuute losse, 'k hae stêên an boord voor Toon Mans." Schipper-eigenaar Job Buskoop van de Groninger zeiltjalk 'Vertrouwen' had die schipper kunnen zijn...
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 februari 2002
Eilanden-Nieuws | 12 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 februari 2002
Eilanden-Nieuws | 12 Pagina's