Het gekrookte riet [46]
‘Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken en het rokende lemmet zal Hij niet uitblussen’. Mattheüs 12:20a
ZESTIENDE PREDIKATIE
David zei: Wat zal ik U vergelden voor al Uw weldaden aan mij bewezen? Ik ben Uw knecht, ja zekerlijk, ik ben Uw knecht (Ps. 116:12, 16). Och ja, zo dient men ze te vinden, zoals een heilige vrome ziel eens huppelde voor de ark (2 Sam. 6:16). Zo komen ze eens voor God, zodat de wereld moet zeggen: Wat scheelt die mensen? Zij verheugen zich in de Heere met een heerlijke en onuitsprekelijke vreugde (1 Petr. 1:8).
Als u ze zo aantreft, dan moet het er uit, want ze zijn Gode uitzin- nig. Echter, u ontmoet ze zo niet altijd. Ze zijn ook niet allen zo. Maar het zijn wel erfgenamen. U kunt ze ook tegenkomen, dat ze hun hoofd laten hangen als een bieze, met hun ogen vol tranen, hun borst met zuchten en hun mond vol klachten. U zult ze horen zeggen: ‘Mijn ziel buigt zich neder in mij’ (Ps. 42:12), en: ‘Mijn ziel kleeft aan het stof’ (Ps. 119:25). U zult ze horen zeggen: Ik kan niet meer. Ik kan het niet langer houden. Ik durf niet te zeggen of te denken dat ik genade heb, of dat ik een erfgenaam ben van dat grote goed. Ik wil het liever allemaal loochenen, ik zou het liever tegen de wind in willen leggen. Ja, ik moet wel volhouden te zeggen dat ik geen genade heb.
Als het zo met hen is, dan is dat een gestalte die te verbeteren is, en die verbeterd moet worden. Maar dat kunnen ze zelf niet doen. Wat doet nu de Koning, als Hij ze zo ontmoet? Trekt Hij Zijn hand van hen af? Breekt Hij ze? Blust Hij het vonkje uit? Och neen, Hij ziet hen en hun werk wel, en zal het niet breken noch uitblussen. Hij ondersteunt en sterkt hen. Doet nu de Koning zo, dan moeten Zijn knechten ook zo doen. Ontmoeten Zijn knechten zulken in hun bediening, dan moeten zij doen zoals onze Koning doet. Als onze Koning zulken wil ondersteunen, dan wij ook.
Het laatste argument dat de gekrookte rietjes inbrachten was: Allen die in de staat der genade zijn, mogen op Christus hopen, en wie niet in die staat der genade is, mag niet op Christus hopen. Dat argument is Schriftuurlijk (zie Ef. 2:12). Maar, zeiden de gekrookte rietjes: ik ben niet in die staat, derhalve mag ik niet op Christus hopen. Ik mag op de Heere Jezus mijn vertrouwen niet stellen.
Met die twee stellingen zijn we nu bezig geweest. De eersten zeiden: Ik ben in de staat der genade, terwijl ze nochtans geen genade kenden. Dat waren de mond- en de naamchristenen. Dan was er een tweede soort. Zij die genade bezitten en nochtans zeggen dat er geen genade in hen is. Er is echter nog een derde soort. Zij zeggen: Ik ben er in, God zij geloofd!
(wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 2022
De Saambinder | 24 Pagina's
![Het gekrookte riet [46]](https://www.digibron.nl/images/generated/de-saambinder/reguliere-editie/2022/11/24/1-thumbnail.jpg)
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 2022
De Saambinder | 24 Pagina's