Uit het Kijkvenster
Lessen uit het Geschiedenisboek — Minister van Hall in 1842 — „Injlatio" — Vechten tegen de Bierkaai.
Het heeft voor ons altijd weer bekoring ter iiand te nemen de Gescliiedenis des Vaderlands, door F. van Rijssens. Wel een latere uitgave dan wij op school gebruikten, maar toch van dezelfde auteur met zijn secondanten of medewerkers aan de nieuwe druk. Zo viel ons oog op de regeringsperio
Zo viel ons oog op de regeringsperiode 1830 tot 1850, waarin men in een tijd vol tegenspoed ook met grote linantièle moeilijkheden kampte. De Napoleontische tijd had ons na de franse revolutie aan de rand van de afgrond gebracht. Er waren ook geweest de moeüijkheden met België, de Tiendaagse Veldtocht, de afscheiding van België, het aftreden van Koning Willem de kerste, kortom, een bewogen periode.
Toen Koning Willem I de regering aanvaardde, was het hier finantieel al een desolate situatie. Er was 1800 miljoen staatsschuld. Straks zullen wij het jaar 1956 er naast leggen. Evenwel, het was toen toch een enorme som bij een zoveel kleiner aantal inwoners. Men deed toen nog niet „sociaal", en als er geld en goed gestrooid werd was dat door de liefde en lotsverbondenheid, die nooit de grote trom roerde.
Maar goed; 1800 miljoen schuld. De rentelast alleen vergde de helft van het volksinkomen. Men besloot nu: 1/3 deel van de schuld is werkelijke schuld en daarvan wordt rente betaald; 2/3 deel of 1200 miljoen wordt uitgestelde schuld zonder rente, maar daarvan zou men elk jaar 4 miljoen aflossen naar de „werkelijke" schuld. Zo zou men dan in circa 300 jaar van deze last wel afkomen, aldus werd het berekend! Men wilde dus het nageslacht niet al te zeer bezwaren. Ik hoorde eens een raadslid beweren; „ik heb lak aan het nageslacht, want het nageslacht doet ook niks voor mij." Dit terloops.
Het is voor ons altijd moeilijk ons een goed beeld te vormen van toestanden die ver achter ons liggen. Dat vergt eigenlijk gedegen studie. In die benarde jaren is veel geleden,
In die benarde jaren is veel geleden, er is veel armoede getorst, al werd er ook veel barmhartigheid geoefend. Naarmate de kerk, die de liefde moet prediken en beoefenen, op de achtergrond raakte, kwam een andere „gemeenschap" op, die in de staat haar uitdrukking, haar gestalte kreeg. Er werd in de loop der tijden een lotsverbondenheid gesmeed, die onmiskenbaar het gevaar in zich draagt dat men voor allerlei nood niet naar middelen tot versteviging in eigen kring omziet, maar op de overheid gaat leunen. Onze tijd levert daarvan sterke bewijzen.
Onder Koning Willem I steeg echter de staatsschuld van 1800 miljoen tot 2200 miljoen gulden. Ondanks de beste bedoelingen. Eigenaardig was ook, dat de finantiële toestand alleen aan de Koning bekend was. De minister van Justitie van Maanen was de finantiële expert van de Koning. (En hij zat de Afgescheidenen en passant ook nog op hun kop). In van Maanen's fraaie patriciërshuis heeft uw waarnemer nog schoolgegaan. Hij werd in 1842 vervangen door mr. F. A. van Hall, die de finantiën reorganiseerde, aan de hele zaak openbaarheid gaf en een prachtlening wist te sluiten van 127 miljoen tegen 3'/o. De lening werd volbekend en het evenwicht op de inkomsten en uitgaven van de Staat hersteld. In zulke penibele situaties heeft men een flinke man nodig, die het vertrouwen heeft en onaangename dingen weet door te zetten. Zo als ik jaren geleden de Rotterdamse Wethouder bewogen hoorde uitroepen: „het is hard brood, maar gij zult het eten!" Het volk heeft echter meer op met een vers kadetje.
Het komt mij voor, dat wij ook nu weer in een heel moeilijke finantiële toestand verkeren. Wij hebben nu een schuld van 18461 miljoen gulden, dat is wel 10 maal meer dan toen, waarbij echter de waardedaling van het geld in een eeuw moet in aanmerking genomen worden.
Men zal de tering naar de nering moeten zetten. Dat doet elke verstandige huisvader en elke zorgzame moeder. Het treurig verloop met Indonesië zal ons veel schade opbrengen. Van Ir. Schermerhom thans lid van de Eerste Kamer, horen wij nu geen advies meer; Lingaddjatie, aangekleed of uitgekleed, breekt ons lelijk op.
Er begint al weer werkloosheid om de hoek te kijken. Wie zich de jaren 1930 nog herinnert, is er zeer beducht voor. Wij hebben tot bezuiniging besloten, maar moeten die dan ook werkelijk begeren. Wil men arbeiders werk geven, dan moet er eerst werkkapitaal zijn. Investering dus. Dat kapitaal moet saam gebracht worden, moet eerst op tafel gelegd worden. Men ziet nu uit naar de Regering, die moet maar grote werken op touw zetten. In Colijn's jaren kwam de Soc. Dem. Arb. Partij met een Plan van de Arbeid, dat echter niet geaccepteerd werd. Er is dus geschiedenis! Er is in die weg ook wel iets te doen, maar niet alles. Omdat er uit grote staatsuitgaven, uit grote inspuiting van belastinggeld, inflatie dreigt. Dat is waardevermindering van het geld. „Inflatio" is het latijnse woord, dat is: „opgeblazenheid". En als we nu iets in Nederland slecht kunnen gebruiken dan is het opgeblazenheid. Dit moet maar beperkt blijven tot de blaasj-es die de kinderen uit zeepsop met vader's stenen pijp maken.
Krimpende winsten en fiscale overbelasting maken het de bedrijven onmogelijk uit eigen winst de zeer dure moderne machines te kopen die juist nodig zijn om winst te maken, en de produktie op te voeren. Ja, de economie is een prachtig studievak, maar men glijdt op dat terrein spoedig uit, ondanks al de lessen van de historie.
Ir. Keus heeft daar in Limburg op een congres van economen over gesproken. Men moet, zeide hij, beginnen de overheidshuishouding te reorganiseren. De minister van finantiën Hofstra liet zich echter al eens ontvallen, dat dat vechten is „tegen de bierkaai". Als schooljongens legden wij het in de jeugdjaren ook al af tegen de jongens van de Bierkade. (Dat kan navraag lijden).
De staat moet geld zien te lenen en ook vereenvoudiging in de volkshuishouding doorvoeren. De regeerders moeten daartoe eerst vertrouwen verwerven. Geen schudden aan de pruimeboom, zoals de socialisten van huis uit graag willen, maar: werken en zuinig zijn.
Toen minister van Hall in 1840 de teugels greep was hij ook onpopulair, maar er gebeurde wat. Hij stelde orde op de uitgaven en sloot toen een prachtlening. Eerst het lek repareren, dan de kraan weer open — dat is het werk. Maar Ir. Keus zegt, „dat andermaal Kamerleden hun populairiteit op het spel zullen zetten en dat gevaar met vreugde zullen trotseren, waar het belang van de Staat op het spel staat (zoals prof. Blok in zijn geschiedenisboek zich voorstelt) ligt na de invoering van het algemeen kiesrecht niet in de lijn der reële verwachtitigen."
Ik zou dat algemeen kiesrecht nog niet direct de schuld willen geven. Immers, men kon ook „goed" kiezen. Maar ons volk is van God en Zijn Woord afgewend en wil geen beperking of ontbering kennen, het Is daartoe zedelijk onmachtig. Het is verslapt en verwijfd en is afkerig van rekenen en zorgen.
Ja, wij leven wel in een tijd die godsdienst, moed en burgerzin ondermijnt. De tijden zijn slecht omdat wij slecht zijn.
WAARNEMER.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 januari 1958
Eilanden-Nieuws | 8 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 januari 1958
Eilanden-Nieuws | 8 Pagina's