Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Samenspraak over de brief van Paulus (32)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Samenspraak over de brief van Paulus (32)

8 minuten leestijd Arcering uitzetten

Want de besnijdenis is wel nut, indien gij de wet doet; maar indien gij een overtreder der wet zijt, zo is uw besnijdenis voorhuid geworden. Romeinen 2:25

HOPENDE: Het is nooit te zeggen hoe subtiel de mens door zijn diepe val geworden is. Subtiel in een kwade zin dan. God alleen kent die subtiliteit of arglistigheid van het hart. Maar als Hij ons de zuivere leer der waarheid doet verkondigen, dan ontdekt Hij daarin ook die subtiliteit des harten. Het is geen wonder als dan de vijandschap niet uitblijft. De verkondigers van de zuivere ontdekkende waarheid Gods hebben nog nooit anders dan vijandschap moeten inoogsten. Denk maar aan de profeten, die van hun eigen volk heel wat kregen te verduren. En dat om de Waarheid die zij verkondigden. En niet anders is het de evangelisten en de apostelen gegaan. We denken nu in het bijzonder aan de apostel Paulus, die we in de brief aan de Romeinen aan het woord vinden. Hij heeft het de Joden maar onomwonden gezegd dat de Naam Gods om hunnentwil gelasterd werd.

UITZIENDE: Het is toch wel een verschrikkelijke zaak, vriend, als Gods Naam om onzentwil gelasterd wordt. Daar kan men niet bang genoeg voor zijn. Over het algemeen is de mens daar echter niet zo bang voor. Men kan wel dadelijk met zware woorden klaar staan als iemand in de zonde valt en dan de opmerking maken dat het zo erg is als Gods Naam daarom gelasterd wordt. Die opmerking heeft me echter nog weleens wat te denken gegeven. Vinden we dat nu werkelijk wel het ergste, als iemand in de zonde valt? We kunnen wel net doen alsof Gods Naam ons altijd zo teer ligt, maar in werkelijkheid is dat nog niet zo. Het kerkelijk leven waartoe we behoren, krijgt veelal door zulke droevige gebeurtenissen een minder gunstige naam. En daar is onze naam dan ook wel bij betrokken. Daarom vinden we het ook wel niet zo aangenaam, als er zulke dingen plaatsvinden.

HOPENDE: Ik ben begonnen met te wijzen op de subtiliteit van de gevallen mens, maar daar schijnt u dan ook wel heel erg fijngevoelig in te zijn. Dan kan ik ook alweer begrijpen, dat u niet zo heel veel echte vrienden over hebt gehouden. Als men met een gewichtig en ernstig gezicht u wist te zeggen dat het zo erg was als Gods Naam om verschillende dingen zo gelasterd werd, dan hoor ik u al zo droogweg de vraag stellen, of men dat nu werkelijk wel het ergste vond. Het valt niet mee, als men het zo ernstig neemt met de eer van Gods Naam en als er dan zo’n vraag gedaan wordt. De apostel heeft het echter wel in ernst en oprechtheid de Joden doen weten, dat Gods Naam om hunnentwil onder de heidenen gelasterd werd. Dat was in ieder geval de waarheid. En daar draaide hij niet omheen.

UITZIENDE: Nu gevoel ik toch wel, dat het wel anders bij me ligt dan bij die Joden. Ik word er niet boos om als u me laat weten dat er zo weinig van me uitgaat tot eer van Gods Naam. Gods Naam zou niet alleen niet om onzentwil gelasterd mogen worden, maar veeleer geëerd en geprezen. En och, wat gaat er nu toch van ons leven weinig uit! Als de allerheiligste nog maar een klein beginsel heeft van de ware gehoorzaamheid, waar moet ik dan toch blijven? God heeft zich een volk geformeerd, opdat het Zijn lof vertellen zou. De apostel Petrus spreekt over een uitverkoren geslacht, een heilig volk, een verkregen volk, een koninklijk priesterdom, om te verkondigen de deugden Desgenen, door Wie men geroepen is uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. Och vriend, daar beantwoord ik maar niet aan! Heel mijn leven moest een en al getuigenis zijn tot eer van Gods Naam. Nu, dan mag u toch wel van me weten, vriend, dat me het gebrek daarin toch wel bij ogenblikken tot een innerlijke smart is. Als u me zegt hoe mijn leven zou moeten zijn en ik voel dan aan dat mijn leven zo niet is, dat word ik echt niet kwaad op u. Integendeel, dan word ik er nog een beetje begerig naar om eens wat meer tot eer van Gods Naam te mogen leven.

HOPENDE: De jaarlijkse gebodenprediking bij de behandeling van de Heidelbergse Catechismus is toch zo nuttig. Daarom sta ik er ook zo op, dat men jaarlijks de gehele Catechismus behandelt. Men hoort dan in die gebodenprediking zichzelf zo schuldig verklaren, want die gebodenprediking verklaart iedere hoorder schuldig, ook al zou men genade mogen bezitten. Het is zelfs zo, dat die geboden worden verklaard in het stuk der dankbaarheid. Maar als ik daar dan zo schuldig onderuit kwam, ben ik toch ook weleens gewaar geworden dat die prediking er mij begerig naar maakte om naar al die geboden Gods in kinderlijke vreze te mogen leven.

UITZIENDE: Dus we worden dan toch niet boos, als we uit Paulus’ mond zo’n ontdekkende Waarheid beluisteren. Dan voel ik toch wel een onderscheid met dat vrome Jodendom, al kan ik ook wel weer niet daar bovenuit komen. Neen, ik kan me echt niet beroemen op mijn doop, zoals de Joden zich op de besnijdenis beroemden. De doop legt ook een hele verantwoordelijkheid op de mens. Wat de besnijdenis betreft, wijst de apostel er hier op, dat indien men een overtreder der wet is, de besnijdenis dan voorhuid is geworden.

In Galaten 5:3 zegt dezelfde apostel: En ik betuig wederom een iegelijk mens die zich laat besnijden, dat hij een schuldenaar is de gehele wet te doen. En als we in ons formulier voor de kinderdoop op de betekende zaak van de Heilige Doop worden gewezen, dan wordt er ook gezegd, dat overmits in alle verbonden twee delen begrepen zijn, we ook door de doop vermaand en verplicht worden tot een nieuwe gehoorzaamheid. De doop legt op alle gedoopten een dure verplichting. Al brengt de doop op zichzelf ons geen stap nader tot de zaligheid, ons gedoopte voorhoofd zal wel eeuwig tegen ons getuigen, als we in onverschilligheid omtrent onze eeuwige zaligheid op de eeuwigheid zijn aangereisd, of misschien wel met een gedoopt voorhoofd de wereld zijn ingegaan en ons in een zondige weg hebben uitgeleefd. Ik heb nu echter het oog op degenen die weleens hebben mogen geloven dat ze geen vreemdeling zijn gebleven van de betekende zaak van de Heilige Doop. Het houdt wat in, als er in ons formulier zo wordt gezegd: ‘Ten derde, overmits in alle verbonden twee delen begrepen zijn, zo worden wij ook weder van God door den doop vermaand en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid, namelijk, dat wij deze enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest aanhangen, betrouwen en liefhebben van ganser harte, van ganser ziele, van gansen gemoede en met alle krachten, de wereld verlaten, onze oude natuur doden, en in een nieuw godzalig leven wandelen’. O vriend, dat houdt nogal wat in. Het is een beantwoorden aan de gehele eerste tafel der Goddelijke wet. En daaraan is nu alleen het eeuwige leven verbonden. Waar gaat het dan toch met mij naar toe? O, die zonden van nalatigheid! Daarom alleen al moet ik zo veroordeeld in mezelf over de wereld gaan.

HOPENDE: Ik kan u hierin goed verstaan. De Jood schijnt daar echter geen last van gehad te hebben, want anders had de apostel dit niet behoeven te schrijven. Vanwege de overtreding van de wet, stelt hij hier de Jood aan de heiden gelijk, want hij zegt maar indien gij een overtreder der wet zijt, zo is uw besnijdenis voorhuid geworden. Hij wil ermee zeggen, dat het dan was alsof men niet besneden was. Maar de apostel had er wel een bedoeling mee, als hij dit zo heeft geschreven. De Jood bleef immers de Christus verwerpen. Men had genoeg aan de besnijdenis en aan het voorrecht van een Jood te zijn. Ik bemerk echter aan uw spreken dat het zo bij u niet is. De Jood stond niet stil bij de betekende zaak van de besnijdenis. Hij had geen Middelaar nodig, Die Zich ook heeft laten besnijden en alzo Zich voor wetsovertreders onder de wet gesteld heeft. Is het bij u ook zo?

UITZIENDE: O nee vriend, het is de Heere bekend, hoe die Persoon steeds meer zo onmisbaar voor me wordt, Die die wet heeft gedragen in het binnenste van Zijn ingewand. Maar mocht ik nu maar eens meer in de vereniging met Hem die wet betrachten in de verloochening van mezelf, dus in het liefhebben van God boven alles, ook boven mezelf.

HOPENDE: We zullen onze oude natuur nooit kunnen doden, zoals ons formulier daarover spreekt, buiten het gelijkvormig worden aan het beeld van Christus. Ik heb weleens opgemerkt, dat het laatste versje van de avondzang heel mooi is, maar dat ik het liefste maar heb dat de Vader Zijn liefde zal doen blijken en dat de Geest Zijn troost ons neer zal zenden, maar dat tweede regeltje van dat vers gaat helemaal tegen mijn oude natuur in, als er gevraagd wordt: ‘O Zoon, maak ons Uw beeld gelijk’. Maar och vriend, als ik er weer eens wat van zien mag, wat die Middelaar heeft moeten lijden, dan valt al mijn tegenspoed in het niet weg. Mijn wegje wordt moeilijk en zwaar, maar toch mag ik bij ogenblikken bij het zien op een lijdende Borg mijn kruisje nog een weinig gemoedigd dragen. (wordt vervolgd)

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.gergeminned.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 2023

De Wachter Sions | 12 Pagina's

Samenspraak over de brief van Paulus (32)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 2023

De Wachter Sions | 12 Pagina's