(S)preken over verzoening
Want met één offer heeft Hij hen die geheiligd worden, tot in eeuwigheid volmaakt. (Hebreeën 10:14) In de dagen dat Hij op aarde was, heeft Hij met luid geroep en onder tranen gebeden en smeekbeden geofferd aan Hem Die Hem uit de dood kon verlossen. En Hij is uit de angst verhoord. Hoewel Hij de Zoon was, heeft Hij toch gehoorzaamheid geleerd uit wat Hij heeft geleden. En toen Hij volmaakt was geworden, is Hij voor allen die Hem gehoorzamen, een oorzaak van eeuwige zaligheid geworden. (Hebreeën 5:7-9) Want u hebt volharding nodig, opdat u, na het volbrengen van de wil van God, de vervulling van de belofte zult verkrijgen. (Hebreeën 10:36)
Verzoening is een onderwerp in discussie. Hoe moeten we de gevolgen van de dood van Christus theologisch duiden? Zijn traditionele opvattingen over verzoening in onze tijd nog houdbaar? De meningen daarover lopen uiteen.
In zo’n situatie is het, zeker voor gereformeerde theologen, van belang om het oor te luister te leggen bij de Heilige Schriften. Ik wil dat in deze bijdrage doen aan de hand van een van de getuigenissen in het Nieuwe Testament over verzoening, namelijk dat van de brief aan de Hebreeën. Volgens mij levert dat een aantal wezenlijke aandachtspunten op voor het (s)preken en theologiseren over verzoening in onze tijd.
1. Jezus’ dood brengt volmaaktheid
Binnen het Nieuwe Testament spreekt Hebreeën op een eigen wijze over de verzoening die Christus tot stand heeft gebracht. De brief tekent Christus als de grote Hogepriester, die zichzelf heeft geofferd. Daarbij gebruikt de schrijver op een heel eigen wijze de terminologie van ‘volmaaktheid’ (aangeduid met het Griekse werkwoord teleioō en daarvan afgeleide woorden). Deze volmaaktheid betreft allereerst de gevolgen van Christus’ dood, die de Hebreeënbrief tekent als een offer. Met zijn offer heeft Christus degenen die geheiligd worden tot in eeuwigheid volmaakt (10:14). Bij ‘volmaaktheid’ gaat het in Hebreeën niet zozeer over morele perfectie, als wel over het bereiken van een bestemming. Iets of iemand is volmaakt als het zijn telos heeft bereikt. De volmaaktheid waar het hier om gaat is de vrije en open toegang tot God. Deze was niet bereikbaar via de offerdienst die bij het oude verbond (‘de wet’) hoorde (7:19). De reden daarvoor is dat deze offers het geweten niet tot volmaaktheid konden brengen (9:9). Want de volmaaktheid die nodig is om tot God te naderen bestaat in een gereinigd geweten. Het bloed van stieren en bokken kan dat onmogelijk tot stand brengen, want het kan het besef en de schuld van de zonde niet volkomen wegnemen (10:1-4).
De betekenis en rol van de zonde zijn cruciaal voor hoe de Hebreeënbrief spreekt over de verzoening. Zonde is niet iets uiterlijks, maar verontreinigt het geweten. De zonde doortrekt het menselijk bestaan zo diep, dat een diepgaande innerlijke reiniging nodig is. Herstel van de vrije toegang tot God is alleen mogelijk als het geweten wordt gereinigd van de zonde. De zonde is echter meer dan een obstakel tussen God en de mens. Ze roept ook Gods toorn op. Toegang tot God is niet alleen iets voor spiritueel georiënteerde mensen, hij is noodzakelijk voor ieder mens om te ontkomen aan Gods oordeel over de zonde.
Dat is de achtergrond van de veelbesproken passages in deze brief waarin de schrijver Gods oordeel aankondigt over degenen die zich doelbewust van het geloof in Christus afkeren (2:3; 3:10-11,18; 6:8; 10:26-31; 12:25,29). Hoe je deze teksten ook interpreteert, ze maken in ieder geval duidelijk dat wie zondigt Gods toorn en oordeel over zich afroept. Dat blijkt ook uit de teksten die de schrijver uit het Oude Testament aanhaalt om zijn waarschuwingen kracht bij te zetten (zie 10:30 en 12:29). Ook andere teksten in deze brief laten zien dat dit oordeel niet alleen geldt voor afval van het geloof, maar voor alle zonden. Het is voor de mens beschikt dat na de dood het oordeel volgt (9:27). In 2:15 stelt de schrijver dat Christus door zijn dood verlost van angst voor de dood. Dat veronderstelt dat dood Gods straf op de zonde is, waarmee de duivel mensen in zijn macht houdt en daarmee buiten de ‘komende wereld’ (2:5).
‘Volmaaktheid’ betekent dus dat de zonde wordt weggenomen, zodat Gods toorn wordt gestild en zijn oordeel afgewend, dat het geweten wordt gereinigd en mensen weer vrije toegang krijgen tot God om in gemeenschap met Hem te leven. Die volmaaktheid heeft Christus tot stand gebracht door het offer dat Hij eens en voor altijd heeft gebracht. De verkondiging of theologische doordenking van de verzoening zal deze aspecten recht moeten doen.
2. Jezus moest zelf ook volmaakt worden
Daar kan het echter niet bij blijven. In Hebreeën is het spreken over de uitwerking van Christus’ offer ingebed in een breder verband. De schrijver legt namelijk een onlosmakelijke verbinding tussen het unieke karakter van Christus’ dood en het karakter van zijn leven op aarde. Daarbij maakt hij gebruik van dezelfde terminologie van volmaaktheid. Niet alleen zondaren moeten volmaakt worden, Christus zelf moest ook volmaakt worden. De schrijver benoemt dit thema voor het eerst in 2:10, aan het begin van een gedeelte waarin hij voor het eerst spreekt over Christus als Hogepriester. Om veel kinderen (huious, zonen) tot heerlijkheid te brengen, was het passend dat God zijn Zoon als Leidsman van hun zaligheid door lijden tot volmaaktheid zou brengen. 1 De volmaaktheid die Christus moest bereiken, is onlosmakelijk verbonden aan zijn lijden.
De auteur werkt dit verder uit in 5:5-7, waar hij een diepmenselijk portret van Jezus schildert. Hoewel Hij Zoon was, moest Jezus toch gehoorzaamheid leren door het lijden heen. Dat was een diepgaand en pijnlijk proces, dat gebeurde ‘met luid geroep en onder tranen’ en met ‘gebeden en smekingen’.
Vanwege het ontzag voor God dat Hij hierin toonde (wat een betere vertaling is dan ‘uit de angst’ in de HSV), verhoorde God Hem. Langs deze weg werd Christus tot in eeuwigheid volmaakt (vgl. 7:28), toen God Hem kroonde met eer en heerlijkheid (zie 2:9). En zo werd Hij ‘voor allen die Hem gehoorzamen, een oorzaak van eeuwige zaligheid’ (5:9). Die ‘eeuwige zaligheid’ is hetzelfde als het ‘tot in eeuwigheid volmaakt’ in 10:14. Christus brengt volmaaktheid voor anderen, omdat Hij zelf volmaakt is geworden door in het lijden gehoorzaamheid te leren.
Ook al was Jezus zonder zonde (zie 4:16 en 7:26), Hij moest in de praktijk leren wat het betekent om in alles de wil van God te doen. Vergelijk het met bergbeklimmen. Dat heb je pas echt geleerd als je boven op de top staat. Zo was het leven van Jezus een persoonlijke reis van steeds diepere gelijkvormigheid aan de wil van God. Tot op de hoogste bergtop, de heuvel Golgotha. Die nadruk op de aanhoudende en volledige gehoorzaamheid van Christus keert terug in de climax van het betoog over zijn offer in 10:1-18. Vers 5 tot 7 legt Jezus bij zijn menswording (‘bij zijn komst in de wereld’) de woorden uit Psalm 40:7-9 in de mond. De woorden in 10:7 die zijn bereidheid uitdrukken om de wil van God te doen, worden herhaald in 10:9: ‘Zie Ik kom (...), om Uw wil te doen, o God.’ De verwijzing naar zijn lichaam in 10:5 keert terug in 10:10, om de volkomenheid van zijn overgave aan God te benadrukken. In plaats van een uiterlijk offer van dieren gaf Christus aan God het offer van belichaamde gehoorzaamheid. Dat innerlijke en persoonlijke karakter van Christus’ offer maakt het superieur ten opzichte van de offers onder de wet.
Langs deze weg werd Gods Zoon Zelf volmaakt en leidde Hij tevens de vele kinderen van God tot volmaaktheid.
3. Jezus’ voorbeeld van belichaamde gehoorzaamheid
Deze nadruk op de gehoorzaamheid van Christus staat niet op zichzelf. Parallel aan de lijn van het spreken over Christus’ volmaaktheid loopt een andere lijn door de brief. In zijn overgave aan de wil van zijn Vader is de Zoon van God een voorbeeld voor alle andere kinderen van God. Of wellicht is het Duitse Urbild hier een betere term. Het gaat niet om een optie voor het christelijke leven, maar om een grondpatroon in de weg die God gaat met de vele kinderen die Hij naar de heerlijkheid leidt. Het offer dat Christus bracht is uniek en onherhaalbaar. Maar de wijze waarop Hij dat offer bracht als belichaamde gehoorzaamheid, is in de brief aan de Hebreeën een paradigma voor het christelijke leven.
De auteur werkt dit motief van gehoorzame navolging uit door een parallel te trekken tussen de houding van Christus naar God en de houding die christenen naar God horen te hebben. Het motief van de navolging is in Hebreeën nauw verbonden met het pastorale doel van zijn schrijven. De brief laat zien dat de lezers ontmoedigd zijn door de pijnlijke ervaring van sociale marginalisatie en mishandeling als gevolg van hun belijdenis van Christus.
De schrijver houdt hun daarom Christus voor als het Urbild dat hun lijden in perspectief plaatst en laat zien hoe ze moeten reageren op hun moeilijkheden.
Zoals Jezus volmaakt werd door gehoorzaamheid te leren in het lijden, zo is er alleen zaligheid voor ‘allen wie Hem gehoorzamen’ (5:9). Het motief van gehoorzame navolging komt vooral naar voren in de lange beschouwing over het geloof in 10:36 tot 12:3. Dit gedeelte zet in met een aansporing die veel exegeten zien als de meest centrale in heel de brief: ‘Want u hebt volharding nodig, opdat u, na het volbrengen van de wil van God, de vervulling van de belofte zult verkrijgen’ (10:36). De oproep om de wil van God te volbrengen, roept Jezus’ herhaalde bereidheid in herinnering om hetzelfde te doen (10:7, 9). In hoofdstuk 11 volgt de bekende opsomming van gelovigen uit het Oude Testament die de gelovige en gehoorzame volharding lieten zien waartoe de schrijver oproept. Deze ‘hall of faith’ loopt uit op een nieuwe aansporing tot volharding die Jezus presenteert als het hoogste voorbeeld van geloof dat volhardt te midden van lijden en oneer (12:1-3). De aanduiding ‘Voleinder (teleiōtès) van het geloof’ roept het thema van volmaaktheid in herinnering.
Jezus brengt het geloof tot volmaaktheid. Hij heeft enerzijds de toegang tot God geopend door zichzelf te offeren en anderzijds heeft Hij met zijn leven laten zien wat een volmaakt leven van geloof en gehoorzaamheid inhoudt.
Hoewel de schrijver indringend oproept tot volharding, maakt de brief tegelijk duidelijk dat die volharding uiteindelijk niet afhangt van onze eigen inspanningen. Jezus heeft de gelovigen tot in eeuwigheid volmaakt met zijn offer (10:14). Dat offer reinigt het geweten en geeft toegang tot God. Christus’ dood is de inauguratie van het nieuwe verbond, waarin God behalve vergeving ook een nieuwe, innerlijke gehoorzaamheid geeft (8:6-13). Door Christus ontvangen we de genade en barmhartigheid die we nodig hebben om God trouw te blijven (4:14-16). Jezus’ bediening als Hogepriester duurt nog steeds voort. Hij kan ons te hulp komen, omdat Hij in dezelfde dingen verzocht is als wij (2:18) en Hij pleit voortdurend voor ons bij God (7:25).
4. Gevolgtrekkingen
Verzoening door Christus’ dood en het leven van Christus als een voorbeeld van gelovige en gehoorzame volharding horen volgens de Hebreeënbrief dus onlosmakelijk bij elkaar. Welke aandachtspunten levert deze luisteroefening op voor ons (s)preken en theologiseren over verzoening? Wat mij betreft in ieder geval drie zaken. Allereerst hoogachting voor Christus. God verhoede dat wij met ons gepreek en getheologiseer het unieke karakter van zijn offer tekortdoen! Theologen en predikers mogen de aansporing van de schrijver wel dubbel ter harte nemen: ‘Daarom, heilige broeders, deelgenoten aan de hemelse roeping, let op de Apostel en Hogepriester van onze belijdenis: Christus Jezus’ (3:1).
In de tweede plaats is het veelzeggend dat de belijdenis over Christus en zijn verzoenend werk in Hebreeën in de context staat van lijden en vervolging. De sociale marge is wellicht een betere plek om over verzoening te spreken dan het pluche van invloed en macht. In dat verband spreekt de brief ook over onze offers aan God: het offer van onze volhardende belijdenis van Christus en onze offers van gastvrijheid en dienstbetoon (13:15-16). Is het wel mogelijk om over verzoening te theologiseren zonder lijden en aanvechting, zonder een levensprakrijk van belichaamde gehoorzaamheid?
De derde gevolgtrekking brengt de voorgaande twee bij elkaar. In een context die steeds afwijzender staat tegenover het christelijk geloof komt het erop aan om het unieke karakter van het offer van Christus te blijven belijden, zonder te verslappen in het volbrengen van de wil van God. Christus belijden betekent vasthouden aan theologische overtuigingen die schuren met de culturele en theologische mode. Het betekent ook een correctie op theologische tradities waarin concrete gehoorzaamheid aan Gods wil weggestreept dreigt te worden tegen het unieke karakter van het offer van Christus. Het komt erop aan dat we ‘met volharding de wedloop lopen die voor ons ligt, terwijl wij het oog gericht houden op Jezus, de Leidsman en Voleinder van het geloof’ (12:1).
W. van Klinken is predikant van de hersteld hervormde gemeente te Stolwijk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 maart 2020
Theologia Reformata | 123 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 maart 2020
Theologia Reformata | 123 Pagina's