Schoenen uit verre landen
Museum in Waalwijk overvol
WAALWIJK — „Ik kom soms met een koffer vol schoenen uit het buitenland. Schoenen voor het museum. Ik haal ze uit Amerika, Italië, Frankrijk, Engeland en andere landen. Koop ze in winkels, van antiquairs, van fabrikanten en op de vlooienmarkten..."
Koos Bergmans, de voorzitter van het schoenenmuseum in Waalwijk, doet dit werk met plezier. Een rustige en vriendelijke man, die zijn hele leven al tussen het leer zit, evenals zijn broers Jan en Harry.
Koos is schoenontwerper geweest in Duitsland (Offenbach), schoenfabrikant in Waalwijk, en hij maakte ruim veertig jaar lang modetekeningen voor een.tijdschrift op schoenengebied. Hij reisde naar Brazilië en Argentinië, naar Noord-Amerika en naar tal van landen in Europe om op de hoogte te blijven van de ontwikkelingen in de schoenenbranche. Koos spreekt Engels, Frans, Duits, Italiaans en Spaans. Ondanks zijn leeftijd (68 jaar) vliegt hij nog geregeld naar de schoenen- en lederbé\irzen in Parijs, Milaan en Florence.
Spullen
„Het is een liefhebberij. Ik weet dan wat er te koop is.'Vaak zie ik interessante dingen voor het museum. Ook van het nieuwste schoeisel sla ik gewoonlijk wat in, want dat is straks eveneens antiek. Een paar jaar geleden ontmoette ik in Brussel een oude schoenmaker. Hij wilde zijn verzameling schoenen en andere spullen verkopen aan het museum. Hi| vroeg er tonnen voor... Van de gemeente kregen we voor het museum negen a tienduizend gulden subsidie per jaar. Dat is nu vierentwintigduizend gelden geworden. Daardoor kunnen we het financieel redden".
Van de naar schatting dertienhonderd schoenen die het museum telt staan er ongeveer negenhonderd in de uitstalkasten. Schoenen uit zowat dertig landen, uit verschillende tijdvakken en in allerlei vormen en tinten. Behalve uit Nederland zijn er schoenen uit Rusland, Finland, Brazilië, China, Japan, Indonesië, India, Perzië, Marokko, Tunis, Syrië, Bulgarije en Griekenland.
Misvormd
In één van de vitrines staan enkele merkwaardige schoentjes uit China. Ze herinneren aan de tijd toen men in dat land de babyvoetjes van meisjes zo inbond dat ze buitengewoon klein bleven en geheel misvormd raakten. Vrouwen die de kleinste voetjes hadden stonden het hoogst in aanzien. Zij konden bijna niet lopen. Omstreeks 1900 heeft men deze dwaze gewoonte in China afgeschaft.
Aan de zuidzijde van het museum zijn de blinden altijd gesloten. Om het zonlicht te weren. Anders zouden de schoenen en de andere leerprodukten verkleuren. Vooral de van textiel vervaardigde pumps zijn gevoelig voor het licht van buiten. Ook de temperatuur wordt steeds in de gaten gehouden. Het mag niet te droog en niet te vochtig zijn in het gebouw.
De collectie schoeisel in het bijna dertig jaar bestaande museum breidt zich voortdurend uit. Koos Bergmans zorgde er in de loop van de jaren voor dat er enkele honderden schoenen bijkwamen. „Kijk, deze cowboylaarzen bracht ik in 1950 mee uit Amerika. En die laars maakte mijn zoon op een fabriek in New York. Hij was daar ontwerper. De fabriek bestaat nu niet meer". „Dit zijn een paar damesschoenen uit 1918. Ik ontdekte ze in Frankrijk'. Ze waren duur door de gesp die er op zit met die kraaltjes. Een fijn stukje werk".
„En hier hebben we een honderd jaar oude leren hangmat uit Rusland, ingelegd met fluweel. Zo'n mat hing men aan een boomtak en diende als wieg. Ik kocht hem van een handelaar in antiek in Frankrijk voor vijfhonderd gulden".
Druk
Ruim veertigduizend mensen bezochten sinds 1964 het schoenenmuseum. Ex-schoenfabrikant Jan Bergmans - nu tien jaar de beheerder van het museum - segt: ,,Een topseizoen was 1974. Toen kregen we tweeënvijftighonderd bezoekers. Het weer liet nogal te wensen over. Gunstig voor ons, want dan komen de mensen. Maar afgelopen zomer is het toch aardig druk geweest: bijna vijfduizend bezoekers. Het museum is van april tot oktober dagelijks geopend - behalve op zondag - van tien tot twaalf en van twee tot vijf uur. Scholen en verenigingen kuimen na afspraak het hele jaar door in het schoenenmuseum terecht".
„Er komen ook wel buitenlanders naar hét museum: Fransen, Engeben en Duitsers. Een enkele keer merkten we Canadezen op die hier in de oorlog hebben gevochten. Onlangs bezocht zelfs een echtpaar uit Finland het museum. We krijgen nogal wat gezelschappen. En soms ook jongelui die een scriptie moeten maken. Het valt op dat de Waalwijkers het museum voorbijlopen. We zien er maar heel weinig".
In het museum is meer te bezichtigen dan een collectie schoenen. Er staat een royaal model van de stoommachine die eind vorige eeuw in werking was in de schoenfabriek van Trimbach in Waalwijk. Er hangen lappen leer waar schoenen, kleding en andere artikelen van worden gemaakt. Leer van de huid van een hagedis, een zeerob, een krokodil, een kabeljauw, een tapir, verschillende soorten slangen, verschillende soorten runderen.
Men ziet er de primitieve werkplaats van een leerlooier en van een klompenmaker. En men kan er de kamer bekijken van een schoenmaker uit 1900: een vertrek met een plavuizen vloer, een plattebuiskachel, een paar bedsteden en de werkstoel met een petroleumlamp. De schoenmakersknecht maakte voor zijn baas gemiddeld zes paar schoenen in de week en verdiende daarmee zes gulden..!
Ellende
Een beeld van de misère waarin de schoenmakers toen verkeerden geeft de boeiende roman Rooien Bart van de in' 1968 overleden Waalwijker J. W. van Heesbeen. Het boek verscheen bij uitgeverij Merlijn in Den Bosch. In 1974 kwam de tweede druk uit. Hoe het allemaal ging in het schoenmakersbedrijf kan men ook lezen in het in het museum aanwezige Gedenkboek voor de schoen- en lederindustrie van 1900 tot 1925.
Jan Bergmans: ,,De levensstandaard was laag. De mensen betaalden zestig cent per week aan huishuur, vijftien cent voor een pond spek en twee cent voor een ei.. Met een paar schoenen deden ze tien tot vijftien jaar. Het was tobben om het hoofd boven water te houden. De bazen - met vier of vijf knechts in dienst - hadden het ook niet breed. Ze dreven er een winkeltje bij om de inkomsten wat te vergroten. De knecht was gedwongen de winkelwaar bij de baas te kopen, heel vaak op de pof... Het gebeurde ook wel dat de baas aan het eind van de week zijn knecht niet kon betalen. De verplichte winkelnering is een jaren durende wantoestand geweest".
„In de winter was er vaak weinig vraag naar schoenen. Bij de fabrikanten lagen de zolders dan vol. Opkopers profiteerden daarvan en voor veel te lage prijzen gingen de schoenen de deur uit".
„In Kaatsheuvel maakte men veel pantoffels. Het betere werk kwam uit Waalwijk en het zware schoeisel (laarzen en herenschoenen) uit Dongen, Oisterwijk en Tilburg".
Twintig jaar geleden had zeventig procent van de bevolking in de Langstraat een bestaan in de schoen- en lederindustrie. Nu nog slechts vijfentwintig tot dertig procent... Veel fabrieken moesten worden gesloten. Ze konden niet wedijveren met de goedkopere en modieuze schoenen uit Italië en enkele andere landen.
Koos Bermans: „Ook in de Scandinavische landen kon men onmogelijk concurreren met Italië. Daar begon de teruggang in de schoennijverheid al eer- Her".
Het museum in Waalwijk - Nederiland telt maar één schoenenmuseum - heeft geen hinder van de malaise in de schoenindustrie. Het schijnt er zelfs meer belangstelling door te krijgen. Langzatnerhand wordt het gebouw in de Grotestraat te klein om er alles te kunnen uitstallen. Ook zal naar ruimte moeten worden gezocht voor de ongeveer vijftig machines die het museum heeft overgenomen van de school voor de schoen- en lederindustrie in Waalwijk. De school sloot vorig jaar wegens gebrek aan leerlingen... ,
Het Waalwijkse museum onderhoudt contact met enkele musea 9in het buitenland. Koos: „Toen ons museum vijfentwintigjaar bestond kregen we schoenen en andere leerprodukten in bruikleen van museums in Duitsland en Zwitserland. Het grootste en mooiste museum is dat in Offenbach in Duitsland. Ook dat van Bally in Zwitserland is de moeite waard. Deze musea waren er al voor de oorlog. Er is een enorme collectie schoenen en voorwerpen van leer te zien. België heeft eveneens een schoenenmuseum (in Izegem) en in Engeland zijn er twee: één in Londen en één in Southampton. Verder staat er geloof ik ook één in Tsjecho-Slowakije. In Amerika wil men een schoenemuseum stichten in Boston. Een professor van de universiteit uit de schoenenstad is twee jaar geleden hier geweest om gegevens te verzamelen en om alles eens nauwkeurig te bekijken".
De Berginansen houden het Nederlands Museum voor Schoenen, Leder en Lederwaren - zoals de naam officieel luidt - met veel toewijding in ere. Conservator Jan Bergmans - 75 jaar - zegt kalm: „Als ik fit blijf ga ik nog even met dit werk door. Anders neemt mijn broer Harry het over. Die is tien jaar jonger..."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 februari 1976
Reformatorisch Dagblad | 10 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 februari 1976
Reformatorisch Dagblad | 10 Pagina's