Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Deuklipsatermier en zestig andere inheemse mieren

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Deuklipsatermier en zestig andere inheemse mieren

4 minuten leestijd Arcering uitzetten

Salomo's advies "Ga tot de mier, gij luiaard" moet niet de indruk wekken dat er slechts één soort mier ijverig op de aardbodem rondscharrelt. Wereldwijd wordt het werkelijke aantal geschat op ruim 20.000 en daarvan zijn er zo'n 8800 beschreven. Een recent verschenen atlas toont dat er alleen in Nederland al 61 soorten actief zijn.

Hoe groter of spectaculairder dieren of planten zijn, des te meer de belangstelling toeneemt. Dat is dus het noodlot van mieren. Ze zijn klein en schijnbaar onbetekenend. Bovendien worden de paar soorten die iedereen kent nu niet bepaald gezien als aaibare en vriendelijke ambassadeurs die uitnodigen tot een nadere kennismaking. De bijtende rode bosmier roept bij het brede publiek eerder ergernis of afschuw op vanwege de associatie met pijn en jeuk.

Sommigen weten dat slechts een minderheid van de inheemse mieren hinderlijk is. Zo ook de twaalf auteurs van de atlas "De wespen en mieren van Nederland", deel 6 in de serie Nederlandse Fauna. Zij bundelden, met hulp van honderden vrijwilligers, voor het eerst hun kennis over deze dieren. De kloeke uitgave levert een indrukwekkend overzicht op van de biologie, de ecologie en de verspreiding van de dieren. In twaalf hoofdstukken komen onderwerpen aan bod zoals nestbouw, jachtgedrag, voortplanting, parasitisme, de evolutie van sociaal gedrag en natuurbeheer.

Het samengaan van wespen en mieren in één boek zal niet voor iedereen vanzelfsprekend zijn. Bij een oppervlakkige beschouwing lijken deze diergroepen niet erg op elkaar. Wespen zijn vaak groot, gevleugeld en opvallend gekleurd, kwalificaties die meestal niet voor mieren gelden. Toch vormen de angeldragende wespen en mieren samen met de bijen een afzonderlijke groep binnen de insecten. Aanvankelijk was het ook de bedoeling dat de ruim 300 soorten bijen in dit zesde deel van de Nederlandse Fauna behandeld zouden worden. Daar zagen de uitgevers van af. Het boek zou te omvangrijk worden. Het tweede deel van de "dubbeldekker" houden we dus nog tegoed.

Determinatietabel

Uniek is dat deze atlas voor het eerst een determinatietabel publiceert waarmee alle Nederlandse mieren en angeldragende wespen tot op geslacht kunnen worden herkend. Ze behoren tot de insectenorde Hymenoptera of vliesvleugeligen. In dit artikel beperken we ons tot de mieren (Formicidae), waarvan alleen de mannetjes en de koninginnen twee paar vliezige vleugels hebben. Ze onderscheiden zich van andere insecten door een achterlijfssteel (tussen achterlijf en borststuk) en geknikte antennes.

Leken zullen de wetenschappelijke namen van de afzonderlijke soorten ongetwijfeld als moeilijk ervaren. Daar komt bij dat de subfamilie Formicidae ook nog eens is onderverdeeld in vijftien genera. Hun Nederlandse namen (staafmier, diefmier, drentelmier, sabelmier, zaadmier, draaigatje, woekermier, reuzenmier, grote en kleine schubmier, gastmier, slankmier, oprolmier, steekmier en amazonemier) zijn voer voor scrabbelaars! Nog fraaier zijn de afzonderlijke soortnamen, waarbij die van de deuklipsatermier de kroon spant.

De atlas brengt de status en de trends van de 61 mierensoorten in Nederland in kaart. Uitgangspunt voor deze analyse is een vergelijking van de periode voor 1980 met de periode 1980-1999. De reuzenmier (Camponotus ligniperda) en de amazonemier (Polyergus rufescens) maakten de grootste achteruitgang mee. Samen met de heidesteekmier (Myrmica sulcinodis) kunnen deze soorten als bedreigd worden beschouwd.

Wie dit standaardwerk in handen heeft, moet niet denken dat alles over de inheemse mierenfauna nu wel is gezegd. De kennis over en de verspreiding van de soorten vertonen nog grote hiaten en veranderen voortdurend. De atlas stipt bijvoorbeeld het transporteren van prooidieren naar het nest aan (over soms lange aanvoerwegen), maar meldt niet hoe de sociale koloniebewoners zich oriënteren en de weg naar hun soortgenoten terugvinden.

Over dat aspect publiceerde het tijdschrift Nature vorige week een interessante studie. Wetenschappers van de universiteit van Sheffield meldden dat mieren daarvoor een verbluffend eenvoudig systeem hanteren. Al langer is bekend dat feronomen (lokstoffen) de foeragerende insecten naar hun nest of voedselbronnen leiden. De vraag was echter hoe een mier de juiste richting op dat geurpad weet. De onderzoekers zetten faraomieren (Monomorium pharaonis) op een beroete glasplaat en zagen dat het punt waar de mieren de hoofdweg verlaten en weer terugkeren telkens een hoek van tussen de 50 en de 60 graden vertoont.

Of onze wegmier (Lasius niger), wellicht de bekendste mier van Nederland, zo ook zijn weg vindt, is nog de vraag. Het schepseltje graaft zijn foerageerstraten meestal in het zand onder stoeptegels, een inspanning die niet iedereen kan waarderen.

Mede n.a.v. "De Nederlandse Fauna deel 6: De wespen en mieren van Nederland (Hymenoptera: Aculeata)", door T. M. J. Peeters e.a.; uitg. Naturalis, KNNV Uitgeverij, EIS-Nederland, 2004; ISBN 90 50111742; 507 blz.; 64,95.

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 21 december 2004

Reformatorisch Dagblad | 19 Pagina's

Deuklipsatermier en zestig andere inheemse mieren

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 21 december 2004

Reformatorisch Dagblad | 19 Pagina's